Civiel recht overig
Beschikking. Verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek vanwege het niet-betalen van het griffierecht.
Rechtbank Rotterdam, 17 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:12570 · Rechtbank Rotterdam · 17 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-12570
Zaakgegevens
Op 17 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 17 september 2026
- Datum publicatie
- 24 september 2026
- Zaaknummer
- C/10/705866 / HA RK 25-858
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:12570
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beschikking. Verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek vanwege het niet-betalen van het griffierecht.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/705866 / HA RK 25-858
Beschikking van 17 september 2026
op verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [plaats] ,
verzoeker,
die zelf procedeert,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
I-FINANCE.NL B.V.,
gevestigd te Den Haag,
verweerster,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna [verzoeker] en I-Finance genoemd.
1 De procedure
Het - hier relevante - verloop van de procedure blijkt uit:
-
de beschikking van de kantonrechter van 26 augustus 2025 en de daarin vermelde stukken (waaronder het verzoekschrift van [verzoeker] van 18 april 2025);
-
correspondentie tussen de griffier van de rechtbank en [verzoeker] over voldoening van het aanvullend griffierecht.
2 De beoordeling
Op 18 april 2025 heeft de kantonrechter van deze rechtbank een verzoekschrift van [verzoeker] ontvangen dat strekt tot het verwijderen van alle BKR-registraties die door I-Finance op zijn naam zijn geregistreerd. Deze procedure is door de kantonrechter verwezen naar de afdeling Handel en Haven. Hierdoor moet [verzoeker] aanvullend griffierecht betalen, zoals ook is vermeld in de beschikking van de kantonrechter. Op 24 april 2026 heeft de rechtbank telefonisch aan [verzoeker] meegedeeld dat het aanvullend griffierecht nog niet is voldaan. Diezelfde dag heeft [verzoeker] via een e-mail laten weten dat hij het griffierecht niet kan voldoen. Daarop heeft de griffier laten weten dat [verzoeker] een ingevulde inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand aan haar dient toe te sturen om het verzoek om verlaging van het griffierecht te kunnen beoordelen. Op 29 mei 2026 en op 30 juni 2026 heeft de griffier [verzoeker] een herinnering gestuurd. Daar is niet op gereageerd. De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] het door hem verschuldigde griffierecht niet binnen de daarvoor geldende termijn – te weten: uiterlijk 10 juli 2026 – heeft betaald.
De griffier heeft vervolgens [verzoeker] er bij brief van 12 augustus 2026 op gewezen dat hij vanwege het niet betalen van het aanvullend griffierecht niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn verzoek en hem overeenkomstig artikel 282a lid 2 Rv de gelegenheid gegeven zich hierover binnen twee weken uit te laten. [verzoeker] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Niet is gesteld, en ook niet is gebleken, dat hier sprake is van omstandigheden die moeten leiden tot de conclusie dat niet-ontvankelijkverklaring leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard zoals bedoeld in artikel 282a lid 4 Rv. Gelet op het voorgaande wordt [verzoeker] op grond van artikel 282a lid 2 Rv niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.