Civiel recht overig

Erfrecht. Legitieme portie.

Rechtbank Rotterdam, 30 september 2026

Zaakgegevens

Op 30 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
30 september 2026
Datum publicatie
2 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/703281 / HA ZA 25-597
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. J.H. Rodenburg, mr. R.D.W. Reijn
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:13120
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Erfrecht. Legitieme portie.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zittingsplaats Rotterdam

Zaaknummer / rolnummer: C/10/703281 / HA ZA 25-597

Vonnis van 30 september 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

ook in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [zoon eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat: mr. J.H. Rodenburg,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat: mr. R.D.W. Reijn.

De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd, tenzij anders vermeld.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 7 juli 2025 met bijlagen;

  • de conclusie van antwoord met bijlagen;

  • de spreekaantekeningen van mr. Rodenburg;

  • het overzicht dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft overgelegd.

1.2.

Op 8 juni 2026 is de zaak op een zitting met de partijen en hun advocaten besproken.

2 De beoordeling

Wat is er gebeurd?

2.1.

Deze zaak gaat over de nalatenschap van [erflaatster] (hierna: erflaatster). Zij is overleden op [datum] 2021 . Haar laatste woonplaats was [woonplaats] . Erflaatster heeft in haar testament haar zoon [gedaagde] benoemd tot enig erfgenaam en tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Hij heeft de nalatenschap zuiver aanvaard en ook de benoeming tot executeur aanvaard. [eiseres] is de schoondochter van erflaatster. Zij was getrouwd met [zoon erflaatster] , de andere zoon van erflaatster. [zoon erflaatster] is overleden vóór erflaatster. [eiseres] en [zoon erflaatster] hebben een minderjarige zoon: [zoon eiseres] , voor wie [eiseres] ook procedeert. Erflaatster heeft gelegateerd aan [eiseres] 2% van het zuivere nalatenschapssaldo en aan [zoon eiseres] 25%. In het testament is bewind ingesteld over het legaat aan [zoon eiseres] . [eiseres] heeft het legaat voor zichzelf aanvaard, maar niet voor [zoon eiseres] . Voor [zoon eiseres] is een beroep gedaan op zijn legitieme portie.

Wat is het geschil?

2.2.

Centraal staat de legitieme portie en wat er moet worden meegenomen in de berekening ervan. [eiseres] wil nog bepaalde financiële informatie van [gedaagde] . Verder wil zij dat de rechtbank de hoogte van de vordering van [zoon eiseres] vaststelt en dat [gedaagde] de vorderingen van haar en [zoon eiseres] aan haar uitbetaald. De partijen zijn het niet eens over een aantal onderwerpen die van belang zijn voor het berekenen van de legitieme portie. De rechtbank bespreekt die onderwerpen hierna.

[eiseres] is ontvankelijk in haar vorderingen

2.3.

De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn stelling dat [eiseres] niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen omdat niet is voldaan aan de waarheidsplicht van artikel 21 Rv. In de dagvaarding worden de geschilpunten tussen de partijen summierlijk omschreven en wordt niet toegelicht welke stellingen [eiseres] inneemt en waar zij die stellingen op baseert. De dagvaarding bestaat grotendeels uit geciteerde correspondentie. Het kan zijn dat (een deel van) de geciteerde correspondentie de stellingen van [eiseres] en de onderbouwing weergeeft, maar in de dagvaarding wordt niet uitgelegd wat de relevantie is van de citaten. Ook bevat de dagvaarding en de geciteerde correspondentie incorrecte en soms tegenstrijdige feiten. De rechtbank ziet hierin een schending van de verplichting van [eiseres] om de feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (artikel 21 Rv). Hoewel [gedaagde] stelt dat het hierdoor niet mogelijk is om inhoudelijk verweer te voeren, heeft hij dat wel gedaan. Hij is in zijn conclusie inhoudelijk ingegaan op de geschilpunten tussen de partijen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om [eiseres] niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen.

De vordering over informatieverstrekking wordt afgewezen

2.4.

[eiseres] vordert dat de rechtbank [gedaagde] verplicht om met bewijsstukken onderbouwd antwoord te geven op drie vragen en een dwangsom aan die veroordeling verbindt. De rechtbank wijst de vordering af. Hierna wordt per vraag uitgelegd waarom.

2.4.1.

Als eerste vraagt [eiseres] aan [gedaagde] antwoord op de vraag wat er is overgeschreven of teruggestort aan erflaatster via de KBC bank in België. [gedaagde] stelt dat erflaatster geen eigen portefeuille had bij de KBC bank; [zoon erflaatster] had wel (een) rekening(en) bij de KBC bank. Volgens [gedaagde] is daarvan niets naar de bankrekening van erflaatster overgeschreven. Hij licht toe dat na het overlijden van [zoon erflaatster] in 2011 alle beleggingen naar een tussenrekening op naam van [gedaagde] zijn overgeschreven en dat erflaatster en [gedaagde] het geldbedrag (€ 168.595,92) contant hebben opgehaald. Dat geld is in bezit van erflaatster gebleven. Volgens [gedaagde] hadden de KBC-rekeningen niets te maken met de nalatenschap van erflaatster en zijn die rekeningen opgeheven kort na het overlijden van [zoon erflaatster] . Hij onderbouwt dat met een brief van de KBC-bank van 15 oktober 2012. [eiseres] voert aan dat er nog steeds onduidelijkheid is over alle handelingen tussen 2011 en 2021 bij de KBC-bank. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de toelichting van [gedaagde] volgt dat de rekening(en) van [zoon erflaatster] bij de KBC bank is/zijn opgeheven in 2011 kort na zijn overlijden. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat er niet méér informatie is te verstrekken door [gedaagde] .

2.4.2.

Als tweede wil [eiseres] van [gedaagde] informatie over wat er is gebeurd met een levensverzekering bij de KBC bank in België. Zij wijst op een brief van de KBC bank waarin een levensverzekering met polisnummer eindigend op [nummer 1] wordt vermeld. Die brief is in mei 2009 ondertekend door erflaatster. [gedaagde] stelt dat erflaatster geen levensverzekering had bij de KBC bank. Het ondertekende document waar [eiseres] naar verwijst, is volgens hem een standaardbrief van de bank over correspondentie laten lopen via de tussenpersoon. Daaruit kan niet worden geconcludeerd dat erflaatster een levensverzekering bij KBC bank had, aldus [gedaagde] . [eiseres] heeft na de reactie van [gedaagde] op haar informatieverzoek nog een paar onderwerpen benoemd waarvan zij vindt dat [gedaagde] er nog antwoord op moet geven, maar deze levensverzekering wordt niet meer genoemd. [eiseres] wil wel nog een afschrift zien van een levensverzekering met polisnummer eindigend op [nummer 2] bij de KBC bank, maar dat is een ander nummer dan de eerder genoemde levensverzekering. De rechtbank gaat ervan uit dat [eiseres] na de inhoudelijke reactie van [gedaagde] geen (verdere) informatie meer vraagt over een levensverzekering met polisnummer eindigend op [nummer 1] bij de KBC bank.

2.4.3.

De derde vraag is wat er is gebeurd met 1.000 aandelen ABN Amro die mogelijk zijn herbelegd in [fonds] . [eiseres] baseert de stelling dat die portefeuille er is (geweest) op een document met de titel ‘vervangende beleggingsovereenkomst’. Dat document heeft geen datum en is niet ondertekend door de personen van wie de namen onderaan het document staan, te weten die van erflaatster, [gedaagde] en [zoon erflaatster] . [gedaagde] betwist de stelling van [eiseres] . Volgens hem is het document niet meer dan een concept. Hij legt uit dat zijn broer [zoon erflaatster] wel vaker concepten voor financiële zaken opstelde om met [gedaagde] en erflaatster te bespreken. Hij voert verder aan dat uit de administratie van erflaatster niet blijkt dat er op enig moment aandelen ABN Amro zijn. Hij wijst op de aangiftes inkomstenbelasting van 2013 t/m 2020. Daarin is inderdaad niets vermeld over dergelijke aandelen. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat erflaatster geen portefeuille met aandelen ABN Amro had en dat [gedaagde] hierover niet meer informatie kan geven dan hij al heeft gedaan.

De legitimaire aanspraak van [zoon eiseres] bedraagt € 24.714,01

2.5.

[zoon eiseres] heeft een legitimaire aanspraak van € 24.714,01. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot deze uitkomst is gekomen.

2.6.

Voor [zoon eiseres] als kleinzoon van erflaatster kan een beroep worden gedaan op de legitieme portie omdat zijn vader – de zoon van erflaatster – is vooroverleden. Voor [zoon eiseres] is binnen de wettelijke vervaltermijn een beroep gedaan op de legitieme portie, namelijk binnen vijf jaar na het overlijden van erflaatster (artikel 4:85 lid 1 BW). Hij is als legitimaris schuldeiser van de nalatenschap (artikel 4:7 lid 1 onder g BW). De legitieme portie wordt berekend over de legitimaire massa van de nalatenschap, vermeerderd met de in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden van artikel 4:7 lid 1 onder a t/m c en f BW (artikel 4:65 BW). Het breukdeel van de legitieme is 1/4e, omdat erflaatster twee afstammelingen ( [zoon erflaatster] en [gedaagde] ) heeft achtergelaten en de legitieme portie de helft bedraagt van de waarde waarover de legitieme portie wordt berekend (artikel 4:64 BW). Eventuele giften aan [zoon eiseres] en/of [zoon erflaatster] strekken in mindering op zijn legitieme portie (artikel 4:70 BW) evenals de waarde van het verworpen legaat (ex artikel 4:73 BW).

2.7.

De partijen hebben ieder een eigen berekening van de legitimaire aanspraak gemaakt, waarin tot uitdrukking komt waarover zij het eens zijn en wat de geschilpunten zijn. [eiseres] berekent een legitimaire aanspraak van € 90.081,37 en [gedaagde] een legitimaire aanspraak van € 140,16. De partijen zijn het eens over het zuivere nalatenschapssaldo van € 15.819,66 en de schulden uit legaten (3x een legaat van 2% van het zuivere nalatenschapssaldo, elk € 316,39). Ook zijn de partijen het eens dat het verworpen legaat van [zoon eiseres] (25% van het zuivere nalatenschapssaldo) in mindering moet komen op zijn legitieme portie (artikel 4:73 BW). De geschilpunten gaan over een ‘jubelton’, een Rabobank beleggingsportefeuille, een hoeveelheid contant geld en giften van erflaatster. De geschilpunten worden hierna besproken.

Jubelton

2.8.

De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de stelling van [eiseres] dat [gedaagde] € 100.000,- heeft ontvangen van erflaatster. [eiseres] stelt dat erflaatster deze zogenoemde jubelton heeft geschonken aan [gedaagde] en dat hij dat zelf heeft erkend in de correspondentie, maar [gedaagde] weerspreekt dit gemotiveerd. Hij stelt dat hij in 2013 € 100.000,- heeft afgelost op zijn hypotheek en dat € 50.000,- daarvan eigen spaargeld was en dat € 50.000,- een schenking was van erflaatster. In de correspondentie heeft hij de term ‘jubelton’ mét aanhalingstekens inderdaad gebruikt maar enkel om te refereren aan de term die (namens) [eiseres] (werd) gebruikt, aldus [gedaagde] . Hij onderbouwt zijn stelling over een schenking van € 50.000,- met de aangiften inkomstenbelasting uit 2013 en 2014 van erflaatster. De rechtbank is met [gedaagde] eens dat uit die aangiften kan worden afgeleid dat het verschil in vermogen van erflaatster tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2014 € 71.097,- is en dat gezien het inkomsten- en uitgavepatroon van erflaatster hieruit kan worden afgeleid dat géén € 100.000,- is geschonken in 2013.

2.9.

[gedaagde] erkent dus wel dat hij € 50.000,- heeft ontvangen van erflaatster. Dit bedrag moet in aanmerking worden genomen bij de berekening van de legitimaire massa (artikel 4:67 BW) en dat is ook gebeurd. Door [gedaagde] gesteld en door [eiseres] niet betwist is dat dit bedrag onderdeel is van de € 124.757,20 die hierboven in de berekening van [gedaagde] staat onder de noemer ‘giften aan [gedaagde] en derden’.

Rabobank beleggingsportefeuille

2.10.

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om een bedrag van € 162.260,14 op te tellen bij de legitimaire massa. Dit bedrag houdt blijkbaar verband met een beleggingsportefeuille van erflaatster bij de Rabobank. Uit een afschrift van 28 februari 2011 volgt een bedrag van € 162.260,14. [eiseres] vindt dat dit bedrag in aanmerking moet worden genomen bij het berekenen van de legitimaire massa. [gedaagde] weerspreekt dit gemotiveerd. Hij legt uit dat jaarlijks een bedrag uit die portefeuille werd opgenomen door erflaatster, totdat zij de portefeuille op 31 maart 2021 heeft verkocht voor € 23.252,99. Dat geld is op haar spaarrekening bijgeschreven, aldus [gedaagde] . Dit wordt onderbouwd door de aangiftes inkomstenbelasting over 2014 t/m 2020 en een bankafschrift. Gelet op deze gemotiveerde toelichting kan de rechtbank [eiseres] geen gelijk geven.

Contant geld

2.11.

De rechtbank ziet evenmin aanknopingspunten voor de vaststelling dat een bedrag van € 117.014,52 aan contanten tot de nalatenschap behoort. Uit de in de dagvaarding geciteerde correspondentie komt naar voren dat dit bedrag contant is gegeven aan erflaatster in 2012, naar zeggen van [gedaagde] ter voldoening van een openstaande schuld van hem en zichzelf bij erflaatster, wat door [eiseres] wordt betwist. [gedaagde] betwist in ieder geval dat dit geldbedrag op het moment van overlijden van erflaatster in 2021 – negen jaar later – nog aanwezig was. Bij deze stand van zaken heeft [eiseres] haar stelling onvoldoende onderbouwd.

Ongewone transacties; giften aan [gedaagde] en derden

2.12.

[eiseres] heeft een lijst met transacties van erflaatster uit de periode 16 oktober 2015 tot en met 4 augustus 2021 overgelegd, die zij aanmerkt als ongewone of verdachte transacties. Het gaat om een bedrag van in totaal € 161.490,54. [gedaagde] heeft tijdens de zitting een schema overgelegd waarin hij per transactie een toelichting geeft. [eiseres] heeft de gelegenheid gekregen om dit schema te bestuderen en haar opmerkingen daarover naar voren te brengen.

2.13.

[gedaagde] heeft een aantal van de transacties aangemerkt als schenkingen van erflaatster aan hem en aan haar schoondochter en kleindochter. Het gaat om drie bedragen die in het overzicht achter de datum 27 december 2016 staan. Hij legt uit dat het vierde bedrag van die datum geen schenking is, omdat dit een overboeking van de spaarrekening van erflaatster naar haar betaalrekening is geweest om die schenkingen mogelijk te maken. Dit geldt ook voor de bedragen achter de datum 18 januari 2017; ook hier zijn de eerste drie bedragen schenkingen en is het vierde bedrag een overboeking van de spaar- naar de betaalrekening van erflaatster, aldus [gedaagde] . Hij heeft van nog een aantal andere transacties toegelicht dat het gaat om overboekingen van de spaar- naar de betaalrekening van erflaatster of andersom. [eiseres] heeft naar aanleiding van die toelichting van [gedaagde] geen opmerkingen.

2.14.

[gedaagde] heeft ten aanzien van de andere overboekingen van erflaatster naar hem op de lijst van ‘ongewone transacties’ een toelichting gegeven. Veelal betreft het de toelichting dat het een terugbetaling van [gedaagde] door erflaatster betrof voor uitgaven die hij voor haar had gedaan. Ook daarover heeft [eiseres] geen opmerkingen, behalve over het volgende:

  1. de overboekingen van in totaal € 9.080,- naar [gedaagde] ten behoeve van een project;

  2. een overboeking van € 2.500,- naar [gedaagde] in verband met de schuur van de volkstuin.

Ad a. Volgens de toelichting van [gedaagde] heeft erflaatster meebetaald aan een project dat hij was gestart voor het ontwikkelen van een apparaat. Hij is van mening dat er geen sprake is van een schenking, maar [eiseres] vindt van wel. [gedaagde] heeft één van de overboekingen ter zake van het project aangemerkt als schenking, naar zijn zeggen omdat hij niet meer kan bewijzen dat het geen schenking was. Bij deze stand van zaken kan er geen andere conclusie zijn dan dat de bedragen waarvan [gedaagde] heeft toegelicht dat die aan hem in het kader van het project zijn overgeboekt door erflaatster, als gift moeten worden aangemerkt. Eén van de overboekingen is door [gedaagde] al aangemerkt als schenking in het overzicht waarin hij een totaalbedrag van € 124.757,20 aan schenkingen heeft becijferd. Het gaat om de overboeking op 20 december 2017 van € 9.975,00. Hierbij moet nog worden opgeteld de andere overboekingen ten behoeve van het project die in het lijstje van [eiseres] en het schema van [gedaagde] voorkomen: € 4.000,- op 5 september 2016, € 2.600,- op 23 november 2018 en € 2.480,- op 16 september 2019.

Ad b. De rechtbank volgt [eiseres] in haar stelling dat de overboeking van € 2.500,- ten behoeve van een schuur van de volkstuin als een gift moet worden aangemerkt, omdat de volkstuin eigendom is van [gedaagde] en niet van erflaatster.

2.15.

De transacties waarvan [gedaagde] heeft toegelicht dat het schenkingen zijn die volgens hem meetellen voor de berekening van de legitimaire massa heeft hij al in het bedrag van € 124.757,20 opgenomen samen met andere schenkingen die volgens hem moeten worden meegenomen bij de berekening van de legitimaire massa. [eiseres] heeft hierover geen opmerkingen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat over de samenstelling van het door [gedaagde] becijferde bedrag van € 124.757,20 en over het meetellen van dit bedrag bij het berekenen van de legitimaire massa geen discussie meer is. Zoals hiervoor overwogen in 2.14 moet hierbij wel nog worden opgeteld een bedrag van in totaal € 11.580,-. Dat maakt het totaalbedrag aan giften van erflaatster aan [gedaagde] en aan derden die op grond van artikel 4:67 BW meetellen voor het berekenen van de legitimaire massa (€ 124.757,20 + € 11.580,- =) € 136.337,20.

Giften aan [zoon erflaatster] en [zoon eiseres]

2.16.

Tussen de partijen is niet in geschil dat aan [zoon eiseres] € 6.000,- is geschonken en dat dit bedrag in aanmerking moet worden genomen in de berekening van de legitieme portie. De partijen gaan allebei in hun berekeningen uit van dit bedrag als gift aan [zoon eiseres] .

2.17.

De partijen zijn het echter niet eens over € 6.493,71 als schenking aan [zoon eiseres] .

[eiseres] betwist uitdrukkelijk maar zonder enige verdere toelichting dat [zoon eiseres] een schenking van € 12.493,71 heeft ontvangen. Dit bedrag bestaat uit € 6.000,- (waarover partijen het wél eens zijn) en uit € 6.493,71. [gedaagde] heeft echter toegelicht dat dit laatste bedrag het geldbedrag is dat op een generatiespaarrekening stond op naam van [zoon eiseres] waarop erflaatster voor hem spaarde; [zoon erflaatster] en erflaatster beheerden die rekening. Na het overlijden van [zoon erflaatster] in 2011 kon erflaatster niet meer bij de rekening maar alleen [eiseres] , aldus [gedaagde] . Hij stelt dat erflaatster de rekening wilde opheffen en het geld op een ander manier op [zoon eiseres] wilde geven en aan [eiseres] heeft gevraagd de rekening op te heffen, maar dat daarop geen antwoord is gekomen. Volgens [gedaagde] was het geldbedrag dat op de rekening stond € 6.493,71. [eiseres] betwist niet het bestaan van die generatiespaarrekening – waarvan [gedaagde] overigens een afschrift uit 2013 heeft overgelegd – en ook niet het door [gedaagde] gestelde saldo en zijn toelichting. Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank ervan uit dat er sprake is van een gift van € 6.493,71 aan [zoon eiseres] . Dit bedrag wordt in aanmerking genomen bij de berekening van de legitieme portie.

2.18.

De partijen zijn het ook niet eens over de gestelde schenking/gift van € 28.588,75 aan [zoon erflaatster] . [gedaagde] stelt dat [zoon erflaatster] bij zijn overlijden (op 20 juni 2011) schulden bij erflaatster had uit hoofde van twee geldleningen, namelijk een speculatielening in België van aanvankelijk
€ 70.000,00 (rentevrij) en een lening van € 15.000,00. Over deze leningen en daaruit ontstane vorderingen over en weer is tussen erflaatster, [eiseres] en [gedaagde] in januari 2013 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin erflaatster verklaarde afstand te doen van haar vorderingen op de nalatenschap van [zoon erflaatster] , waarmee van die leningen een restschuld van € 28.588,75 is kwijtgescholden. Volgens [gedaagde] zijn dit schenkingen die aan [zoon erflaatster] ten goede zijn gekomen en die meetellen voor de berekening van de legitieme portie. [eiseres] betwist dat sprake is geweest van schulden van [zoon erflaatster] aan erflaatster. Volgens haar zijn de betreffende stukken slechts opgesteld om zeker te stellen dat erflaatster te allen tijde haar geld dat deels door [zoon erflaatster] (evenals door [gedaagde] ) voor haar werd belegd kon opeisen. Deze stelling wordt onderbouwd door de toelichting van [gedaagde] in zijn brief van 13 november 2012 aan de rechtsbijstandsverzekeraar van [eiseres] . In die brief legt [gedaagde] uit dat geen sprake was van leningen, maar van een constructie waarbij [zoon erflaatster] en [gedaagde] met een deel van de oudedagvoorziening van erflaatster mochten speculeren ten behoeve van erflaatster en dat [zoon erflaatster] , [gedaagde] en erflaatster hebben afgesproken dat zij altijd aanspraak zou kunnen maken op het door [zoon erflaatster] en [gedaagde] beheerde deel van haar geld. In dat kader zijn de door [gedaagde] genoemde schuldbekentenissen opgesteld, aldus [gedaagde] in de brief. Dat [gedaagde] nu een beroep doet op het kwijtschelden van een schuld van [zoon erflaatster] is dan ook niet houdbaar. Van kwijtschelding van een (rest)schuld kan geen sprake zijn. Daarop al strandt de stelling van [gedaagde] . De rechtbank merkt genoemd bedrag van € 28.588,75 dan ook niet aan als een bij de legitieme in aanmerking te nemen gift.

Berekening legitimaire aanspraak

2.19.

De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot de volgende berekening:

Zuiver nalatenschapssaldo € 15.819,66

In aanmerking te nemen giften € 148.830,91 +

Legitimaire massa € 164.650,57

Bij de berekening van de legitieme portie worden de legaten niet in mindering gebracht, omdat legaten (artikel 4:7 lid 1 onder h BW) geen schulden van de nalatenschap als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder a t/m c en f BW zijn (artikel 4:65 BW). De legitieme portie bedraagt ¼ x € 164.650,57 = € 41.162,64. Hierop in mindering moeten worden toegerekend de giften aan [zoon eiseres] en de waarde van het verworpen legaat van [zoon eiseres] : € 41.162,64 -/- € 12.493,71 -/- € 3.954,92 = € 24.714,01.

Betalen vorderingen

2.20.

De vordering onder III in de dagvaarding wordt na uitleg door [eiseres] door de rechtbank zo begrepen dat zij veroordeling van [gedaagde] vordert tot uitbetaling van haar vordering en die van [zoon eiseres] . Zo heeft [gedaagde] de vordering ook begrepen.

2.21.

De vordering onder III is slechts deels toewijsbaar. De legitimaire aanspraak is een vordering op erfgenaam [gedaagde] , maar hij is niet verplicht de vordering te voldoen voor zover die vordering de waarde van de nalatenschap te boven gaat (artikel 4:80 BW). Dat is hier het geval. Dan komt inkorting in beeld (artikel 4:87 BW). De schuld aan legitimaris [zoon eiseres] kan worden voldaan ten laste van de makingen (erfstellingen en legaten) en – indien er dan nog een tekort is – ten laste van de daarvoor in aanmerking komende giften. De waarde van de nalatenschap is € 15.819,66, waarvan € 949,17 de waarde van de drie legaten vertegenwoordigt en het restant aan [gedaagde] als enig erfgenaam toekomt. Dan resteert nog een bedrag van (€ 24.714,01 -/- € 15.819,66 =) € 8.894,35. Wellicht kan dit bedrag door inkorting bij (een) begiftigde(n) worden verkregen, maar in deze procedure is geen beroep gedaan op inkorting. De vordering is dan ook slechts toewijsbaar tot een bedrag van € 15.819,66. De vraag is nog tegen wie de vordering moet worden ingesteld. De executeur vertegenwoordigt immers de erfgenamen tijdens zijn beheer en heeft tot taak het voldoen van schulden (artikelen 4:144-145 BW). De rechtbank gaat ervan uit dat het beheer nog niet is geëindigd omdat de schuld ter zake de legitimaire aanspraak nog niet is voldaan. Dat betekent dat [zoon eiseres] zijn vordering moet indienen bij [gedaagde] als executeur-afwikkelingsbewindvoerder. [eiseres] heeft niet met zoveel woorden benoemd dat de vordering tegen [gedaagde] in die hoedanigheid is ingesteld, maar de rechtbank gaat ervan uit dat zij dat wel bedoelt. [gedaagde] heeft in zijn conclusie van antwoord zelf naar voren gebracht dat hij in deze zaak procedeert zowel voor zich als enig erfgenaam (pro se) als in de hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder (q.q.) en de partijen hebben hier verder ook geen punt van gemaakt.

2.22.

[eiseres] vordert dat de vordering van [zoon eiseres] wordt betaald door [gedaagde] door overboeking op een door haar op te geven bankrekening. [gedaagde] wil de vordering van [zoon eiseres] alleen aan hem betalen door overboeking op een bankrekening op naam van [zoon eiseres] , waarop aantoonbaar een zogenoemde BEM-clausule rust. Het is echter niet aan [gedaagde] om dat te bepalen.

2.23.

De “vordering van [eiseres] ” is vrij onbepaald. Uit het partijdebat wordt echter wel begrepen dat het gaat om het legaat van € 316,39. Aangezien de schuld ter zake de legitimaire aanspraak bij voorrang moet worden voldaan (artikel 4:7 BW), is na voldoening van die schuld niets over uit de nalatenschap om de vordering van [eiseres] mee te voldoen. Echter, [gedaagde] heeft als erfgenaam de nalatenschap zuiver aanvaard en is met zijn eigen vermogen aansprakelijk voor het voldoen van de schuld uit het legaat (artikel 4:120 lid 5 BW). Aangezien [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd, wordt de vordering toegewezen zoals onder de beslissing vermeld.

Rente

2.24.

[eiseres] vordert geen rente over de legitimaire aanspraak van [zoon eiseres] . Zij vordert wel vaststelling van de hoogte van de vordering van [zoon eiseres] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van overlijden van erflaatster. Hoewel [eiseres] meent dat wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum van overlijden, is dat pas nadat verzuim is ingetreden (artikel 6:82 BW). [gedaagde] stelt in dit geval onbetwist dat verzuim is ingetreden op 15 oktober 2024, nadat in de brief van 1 oktober 2024 namens [zoon eiseres] aanspraak is gemaakt op de legitieme portie met een betalingstermijn van 2 weken. Het gaat dan om de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW. De vordering ter zake de rente zal worden toegewezen zoals vermeld onder de beslissing.

Proceskosten

2.25.

De rechtbank ziet in de aard van het geschil en de uitkomst aanleiding om de proceskosten te compenseren.

Uitvoerbaar bij voorraad

2.26.

De rechtbank zal het vonnis, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

stelt de hoogte van de legitimaire aanspraak van [zoon eiseres] vast op € 24.476,72, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2024 tot de datum van algehele voldoening;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van erflaatster om binnen een maand na betekening van het vonnis € 15.819,66 aan [zoon eiseres] te betalen op een door [eiseres] op te geven bankrekening;

3.3.

veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van het vonnis € 316,39 aan [eiseres] te betalen op een door haar op te geven bankrekening;

3.4.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

3.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

3142