Civiel recht overig
Kort geding. P-V van mondelinge uitspraak 30p Rv. Executiegeschil.
Rechtbank Rotterdam, 19 januari 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:818 · Rechtbank Rotterdam · 19 januari 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2022-818
Zaakgegevens
Op 19 januari 2022 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 19 januari 2022
- Datum publicatie
- 7 februari 2022
- Zaaknummer
- C/10/632118 / KG ZA 22-48
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2022:818
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. P-V van mondelinge uitspraak 30p Rv. Executiegeschil.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]proces-verbaal
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/632118 / KG ZA 22-48
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op grond van artikel 30p Rv van
19 januari 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RDAM B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. J.M.L.G. de Jong te Rotterdam,
tegen
de stichting
STICHTING WOONSTAD ROTTERDAM,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. E. de Jong te Rotterdam.
Partijen worden hierna Rdam B.V. en Woonstad genoemd.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.
Tegenwoordig zijn mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, voorzieningenrechter, en mr. G.C.M. van Rheeden, griffier.
Na uitroeping van de zaak verschijnen
aan de zijde van Rdam B.V.:
-
[naam 1], [functie]
-
[naam 2]
-
mr. De Jong hiervoor genoemd (via een skype-verbinding)
aan de zijde van Woonstad
-
[naam 3], adviseur bedrijfshuisvesting
-
mr. De Jong hiervoor genoemd.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter ter zitting mondeling uitspraak gedaan.
1. De gronden van de beslissing
Het gaat om een executiegeschil.
De primair door Rdam B.V. ingestelde vordering die ertoe strekt aan Woonstad voor wat betreft de ontruiming van de bedrijfsruimte aan de [adres] een onbeperkt verbod tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 25 november 2021 van de kantonrechter van deze rechtbank op te leggen gaat te ver. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
De subsidiaire vordering tot schorsing van de ontruimingsbeslissing in het vonnis van 25 november 2021. die zo is toegelicht dat schorsing wordt gevraagd totdat in de door Rdam B.V. tijdig aanhangig te maken verzetprocedure is beslist, wordt toegewezen onder twee voorwaarden die als volgt luiden:
-
Rdam B.V. dient binnen twee weken na heden de verzetdagvaarding te hebben betekend aan Woonstad; en
-
Rdam B.V. dient, zoals ter zitting door haar is toegezegd, binnen zes weken na heden de huur over de maand januari 2022 van € 2.395,65 en het bedrag van € 439,81 (in totaal € 2.835,46) aan Woonstad te hebben betaald.
Als Rdam B.V. niet tijdig of volledig aan gemelde voorwaarden voldoet, vervalt de schorsing en is het Woonstad op grond van het verstekvonnis van 25 november 2021 toegestaan tot ontruiming van de bedrijfsruimte over te gaan. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding hieraan nog de door Rdam B.V. gevraagde dwangsom te verbinden.
Het volgende is daartoe redengevend. In het verstekvonnis van 25 november 2021 heeft de kantonrechter de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1974, niet meegewogen, en, gelet op de latere datum van die beslissing, niet kunnen meewegen. De essentie van de prejudiciële beslissing is dat als gevolg van getroffen overheidsmaatregelen in verband met de coronapandemie bij een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte gesloten vóór 15 maart 2020, zoals hier het geval is, een reële huurprijsvermindering kan worden toegepast volgens de vastelastenmethode. Daarmee is rechtens een nieuw toetsingskader gecreëerd. Aannemelijk is dat de kantonrechter, als zij van de prejudiciële beslissing op de hoogte was geweest, het vonnis van 25 november 2021 niet zo had gewezen. Mede gelet op de belangen zoals die over en weer zijn toegelicht dient een belangenafweging tussen partijen in dat licht in het voordeel van Rdam B.V. uit te vallen. In het midden kan worden gelaten waarom [naam 1] tijdens de mondelinge behandeling in de kantonzaak niet is verschenen.
Woonstad wordt veroordeeld in de proceskosten van Rdam B.V., te vermeerderen met de nakosten. De proceskosten worden begroot op € 103,33 aan dagvaardingskosten,
€ 676,00 aan griffierecht en € 656,00 aan salaris advocaat (liquidatietarief eenvoudig kort geding).
2. De beslissing
schorst de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 25 november 2021 van de kantonrechter van deze rechtbank voor wat betreft de ontruiming van de bedrijfsruimte aan de [adres] totdat in de door Rdam B.V. tijdig aanhangig te maken verzetprocedure is beslist, onder de voorwaarden dat Rdam B.V.:
? binnen twee weken na heden de verzetdagvaarding heeft betekend aan Woonstad; en
? binnen zes weken na heden de huur over de maand januari 2022 van € 2.395,65 en het bedrag van € 439,81 (in totaal € 2.835,46) aan Woonstad heeft betaald,
veroordeelt Woonstad in de proceskosten, aan de zijde van Rdam B.V. tot op heden begroot op € 1.435,33,
veroordeelt Woonstad in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Woonstad niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,