Civiel recht overig
Kort geding. Executiegeschil. Gedeeltelijke toewijzing. Vordering tot opheffing beslag op uitkering…
Rechtbank Rotterdam, 9 mei 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:5752 · Rechtbank Rotterdam · 9 mei 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2025-5752
Zaakgegevens
Op 9 mei 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 9 mei 2025
- Datum publicatie
- 13 mei 2025
- Zaaknummer
- C/10/697340 / KG ZA 25-292
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2025:5752
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. Executiegeschil. Gedeeltelijke toewijzing. Vordering tot opheffing beslag op uitkering toegewezen. Vorderingen tot het doen van een mededeling van het opheffen van het beslag en het opleggen van een dwangsom worden afgewezen.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/697340 / KG ZA 25-292
Vonnis in kort geding van 9 mei 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: Vlaardingen,
eiser,
advocaat mr. W.M. Vermeijden te Vlaardingen,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: Vlaardingen,
gedaagde,
advocaat mr. D. Abotay te Schiedam.
Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.
1 De zaak in het kort
Bij beschikking van 13 juni 2016 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. In het ouderschapsplan dat deel uitmaakt van die beschikking staat dat de man met ingang van 1 april 2016 € 220,00 per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen. De man is nadien in de schuldhulpverlening beland. Bij beschikking van 9 juli 2018 is het ouderschapsplan in die zin gewijzigd, dat de kinderalimentatie met ingang van 25 oktober 2017 en minimaal voor de duur van de schuldhulpverlening wordt bepaald op € 25,00 per kind per maand. De man zit inmiddels al enige tijd niet meer in de schuldhulpverlening. Hij betaalt maandelijks een bedrag van € 25,00 per kind aan kinderalimentatie. De vrouw heeft het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) ingeschakeld om de kinderalimentatie bij de man te innen overeenkomstig de beschikking van 13 juni 2016. Het LBIO heeft daarvoor beslag gelegd op de AOW-uitkering van de man. Volgens de man geldt echter nog steeds het bij beschikking van 9 juli 2018 vastgestelde bedrag aan kinderalimentatie en daarom vordert hij – kort gezegd – dat het beslag wordt opgeheven. De vrouw is het daar niet mee eens, omdat zij van mening is dat de beschikking van 13 juni 2016 herleefde toen de man klaar was met schuldhulpverlening. De voorzieningenrechter wijst een deel van de vorderingen van de man toe. Dit wordt hierna uitgelegd.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 8 april 2025, met bijlagen 1 tot en met 6;
-
de aanvullende bijlagen 7A tot en met 8 van de man;
-
de conclusie van antwoord, met bijlagen 1 en 2;
-
de aanvullende bijlage 3 van de vrouw;
-
de mondelinge behandeling op 6 mei 2025.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter de man verzocht om stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat het LBIO – als beslaglegger – op de hoogte is van deze zaak. De man heeft die stukken nog dezelfde dag in het geding gebracht.
3 De beoordeling
Spoedeisend belang
De man heeft spoedeisend belang bij zijn vordering. Dit vloeit voort uit de aard van de vordering (een executiegeschil).
De positie van het LBIO
De man heeft in deze zaak de vrouw gedagvaard, terwijl het LBIO feitelijk de executie van de beschikking van 13 juni 2016 uitvoert. Het LBIO heeft immers beslag laten leggen op de AOW-uitkering van de man. De man had daarom strikt genomen (ook) het LBIO moeten dagvaarden. Dat leidt echter niet tot afwijzing van de vordering van de man. De vrouw heeft namelijk als opdrachtgever van het LBIO te gelden. Daarnaast blijkt uit de stukken die de man na afloop van de mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht, dat het LBIO op de hoogte is van deze zaak en de daarin ingediende processtukken. Gelet op dit alles hoeft de man het LBIO niet alsnog in het geding op te roepen/te dagvaarden.
De voorzieningenrechter heft het beslag op
In de beslissing van de beschikking van 9 juli 2018 staat – voor zover van belang – het volgende:
“(…) wijzigt het ouderschapsplan van 17 mei 2016 in die zin, dat de daarin tussen partijen overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 25 oktober 2017 en minimaal voor de duur van de schuldhulpverlening wordt bepaald op € 25,- per maand per kind, onder gelijktijdige wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2016 op dat punt (…)”.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan deze beslissing niet worden uitgelegd als dat is bedoeld om de kinderalimentatie voor maximaal de duur van de schuldhulpverlening van de man op € 25,00 per maand per kind te bepalen, zoals de vrouw meent. In de beslissing staat immers duidelijk minimaal. Dit betekent dat de vrouw een nieuwe procedure had moeten starten op het moment dat zij van mening was dat sprake was van gewijzigde omstandigheden die een aanpassing van de kinderalimentatie rechtvaardigden. Dat heeft zij echter niet gedaan en daardoor geldt de beschikking van 9 juli 2018 nog steeds. Het staat tussen partijen niet ter discussie dat de man het op grond van die beschikking verschuldigde bedrag aan kinderalimentatie steeds heeft betaald, een mogelijke kleine achterstand – die de beslaglegging op dit moment in ieder geval niet meer rechtvaardigt – daargelaten.
Het LBIO heeft gelet op het voorgaande ten onrechte de beschikking van 13 juni 2016 ten uitvoer gelegd en op grond van die beschikking beslag gelegd op de AOW-uitkering van de man. De voorzieningenrechter begrijpt, evenals overigens de vrouw en haar advocaat, de vordering van de man zo, dat hij heeft bedoeld te vorderen dat het door het LBIO in opdracht van de vrouw gelegde beslag op zijn AOW-uitkering wordt opgeheven. De eerste vordering van de man wordt in die zin toegewezen.
De overige vorderingen van de man worden afgewezen
De vordering van de man om de vrouw te veroordelen “tot het doen van een mededeling van het opheffen van het beslag” wordt afgewezen. Onduidelijk is aan wie de vrouw zo’n mededeling zou moeten doen en binnen welke termijn. Bovendien kan de man dit vonnis zelf toesturen aan instanties die daarvan op de hoogte moeten geraken, zoals het LBIO.
De vordering van de man om een dwangsom te verbinden aan veroordelingen ten laste van de vrouw, wordt ook afgewezen. Er zijn geen handelingen die de vrouw moet verrichten: de voorzieningenrechter heft het beslag namelijk zelf op. Daardoor is geen sprake van een veroordeling die met een dwangsom kan worden versterkt.
De proceskosten
Het uitgangspunt in zaken tussen ex-echtelieden is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten betaalt. In de omstandigheden van deze zaak ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4 De beslissing
De voorzieningenrechter:
heft op het op 21 maart 2025 door het LBIO in opdracht van de vrouw en ten laste van de man gelegde executoriale beslag op de AOW-uitkering van de man;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2025.
3349 / 2009