Civiel recht overig

Kort geding. Huur bedrijfsruimte. Ontruimen vanwege herhaalde betalingsachterstand.

Rechtbank Rotterdam, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
13 oktober 2026
Zaaknummer
12347789 VV EXPL 26-479
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:13915
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Huur bedrijfsruimte. Ontruimen vanwege herhaalde betalingsachterstand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12347789 VV EXPL 26-479

datum uitspraak: 12 oktober 2026

Vonnis in kort geding van de kantonrechter

in de zaak van

[eiseres] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. Q. de Heus,

tegen

[gedaagde] die handelt onder de naam [handelsnaam 1] en onder de naam [handelsnaam 2] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. I. Correljé.

De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding van 15 augustus 2026, met bijlagen 1 t/m 7;

  • het antwoord, met bijlagen 1 t/m 5;

  • de akte wijziging van eis met bijlage 8;

  • de mail van 26 september 2026 namens [gedaagde] met bijlagen 7 en 8;

  • de spreekaantekeningen van mr. De Heus.

1.2.

Op 28 september 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:

  • van [eiseres] de heer [persoon A] (vastgoedmanager) met mr. De Heus;

  • [gedaagde] met mr. Correljé.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

[gedaagde] huurt van [eiseres] de bedrijfsruimte aan het [adres 1] en [adres 2] in Vlaardingen. Hij heeft in het verleden een betalingsachterstand laten ontstaan. [eiseres] is toen een procedure tegen hem gestart. Die procedure is op 22 januari 2026 geëindigd zonder een uitspraak van de rechter, omdat [eiseres] en [gedaagde] samen afspraken hebben gemaakt. Zij hebben onder meer afgesproken dat [gedaagde] de achterstand tot en met februari 2026 aflost en de huur vanaf maart 2026 volledig en op tijd betaalt.

2.2.

[eiseres] stelt dat [gedaagde] weer een achterstand heeft laten ontstaan en dat de huurovereenkomst om die reden zal worden ontbonden in een eventuele gewone procedure. Daarop vooruitlopend eist [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld de bedrijfsruimte te ontruimen. [eiseres] eist ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan haar te betalen een achterstand van € 10.566,71, (een bedrag gelijk aan) de huur van € 4.788,69 per maand tot de ontruiming, € 1.020,25 aan buitengerechtelijke kosten en de proceskosten, alles met rente. [eiseres] heeft geen vertrouwen meer dat [gedaagde] zijn betalingsverplichtingen correct nakomt. [gedaagde] is het niet eens met de eis. Hij zegt dat hij geen betalingsachterstand heeft.

2.3.

De kantonrechter wijst de eis van [eiseres] toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.

Toetsingskader in kort geding

2.4.

Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiseres] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.

[gedaagde] heeft een betalingsachterstand van € 10.566,71

2.5.

[gedaagde] moet de achterstand van in totaal € 10.566,71 betalen aan [eiseres] .

2.5.1.

In de dagvaarding is uiteengezet dat [gedaagde] een huurachterstand van € 20.144,09 heeft laten ontstaan berekend over april t/m augustus 2026. Ook de afrekening servicekosten over 2024 van € 4.381,40 was niet betaald. Dat is een achterstand van in totaal € 24.525,49. Vlak voordat de dagvaarding werd betekend heeft [gedaagde] betalingen gedaan. De actuele huurachterstand berekend over mei t/m september 2026 is € 9.932,78. Van de afrekening servicekosten over 2024 staat nog € 633,93 open. Dat is een achterstand van in totaal € 10.566,71.

2.5.2.

[gedaagde] stelt dat hij geen betalingsachterstand heeft, maar de kantonrechter kan hem daarin niet volgen. [eiseres] stelt namelijk dat alle ontvangen betalingen t/m augustus 2026 zijn verwerkt en dat de actuele achterstand € 10.566,71 is. Het is dan aan [gedaagde] om te stellen welke van zijn betalingen nog niet zijn verwerkt of welke betalingen hij aanvullend heeft verricht, maar dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft erkend dat hij voor het laatst heeft betaald in augustus 2026 en zijn betalingsbewijzen gaan inderdaad maar tot en met 10 augustus 2026. De kantonrechter gaat daarom uit van de door [eiseres] gestelde achterstand van in totaal € 10.566,71.

2.5.3.

Uit het partijdebat blijkt dat [gedaagde] het niet eens is met de servicekostenafrekening omdat de kosten flink zijn gestegen en de rekening onduidelijk is, maar hij verbindt daar geen rechtsgevolgen aan in deze procedure. Ook legt hij niet uit wat er dan precies mis zou zijn met de afrekening. Dit punt heeft daarom geen invloed op de hoogte van de achterstand.

2.5.4.

Het conflict over het onderhoud van het pand heeft ook geen invloed op de hoogte van de achterstand of de uitkomst van de procedure, want [gedaagde] mag de huur niet opschorten of verminderen als hij van mening is dat er achterstallig onderhoud is of mankementen aan het pand. Hij is hoe dan ook verplicht de huur op tijd en volledig te betalen. Dat is zo afgesproken in de huurovereenkomst. Overigens heeft [gedaagde] erkend dat [eiseres] na het maken van de afspraken in de vorige procedure twee keer bij hem is langs geweest om mankementen te inventariseren en actie te ondernemen. Het is niet zo dat [eiseres] helemaal niets doet.

[gedaagde] moet de bedrijfsruimte ontruimen

2.6.

De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] om de bedrijfsruimte te ontruimen. Het is bij de huidige stand van zaken voldoende aannemelijk dat in een eventuele gewone procedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden vanwege de herhaalde betalingsachterstanden. De huurachterstand is op dit moment meer dan 2,5 maand. Dit in combinatie met de eerdere recente achterstand, maakt dat er sprake is van een ernstige tekortkoming van [gedaagde] in het nakomen van zijn betalingsverplichtingen. Het is voldoende aannemelijk dat die ernstige tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de bedrijfsruimte rechtvaardigt. De kantonrechter acht het gerechtvaardigd om daarop vooruit te lopen en de gevorderde ontruiming nu in kort geding toe te wijzen. Dat is weliswaar een ingrijpende maatregel waardoor [gedaagde] misschien zijn onderneming en inkomsten zal verliezen, maar in dit geval weegt het belang van [eiseres] bij het kunnen verhuren van haar bedrijfsruimte aan een huurder die wél zijn betalingsverplichtingen nakomt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij het behouden van de bedrijfsruimte.

2.7.

De ontruimingstermijn wordt bepaald op veertien dagen na de datum van dit vonnis.

2.8.

Vanaf oktober 2026 tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] de maandelijkse huurverplichting van € 4.788,69 betalen aan [eiseres] .

[gedaagde] moet rente betalen

2.9.

De gevorderde wettelijke handelsrente over de betalingsachterstand en de nog te vervallen huurtermijnen wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten is eveneens toewijsbaar.

[gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke kosten te betalen

2.10.

De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 1.020,25 wordt grotendeels afgewezen. [eiseres] heeft niet gesteld dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. In dat geval is slechts een bedrag van € 40,00 toewijsbaar (artikel 6:96 lid 4 BW).

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

2.11.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 129,54 aan dagvaardingskosten, € 1.504,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 2.642,54. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad

2.12.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis het gehuurde te doen ontruimen en leeg en ontruimd aan [eiseres] op te leveren door afgifte van de sleutels;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis te betalen € 10.566,71 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW, telkens ingaande op de vervaldag van iedere betalingstermijn tot aan de dag van algehele voldoening;

3.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de maandelijkse door [gedaagde] aan [eiseres] verschuldigde huurverplichting van € 4.788,69 vanaf oktober 2026 tot het moment van ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, telkens ingaande op de vervaldag van iedere betalingstermijn tot aan de dag van algehele voldoening;

3.4.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis te betalen € 40,00 aan incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening

3.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 2.642,54 te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;

3.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.

34286