Civiel recht overig

Kort geding. Verdelingszaak. Toewijzing, Gedaagde verzet zich niet tegen verkoop van de woning. De gevorderde…

Rechtbank Rotterdam, 8 september 2026

Zaakgegevens

Op 8 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
8 september 2026
Datum publicatie
14 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/721187 / KG ZA 26-569
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. M.G. Pittaluga, mr. P.C.E. van den Hoek
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:13971
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Verdelingszaak. Toewijzing, Gedaagde verzet zich niet tegen verkoop van de woning. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Reconventie. Verdelingszaak. Deels toewijzing. De meer subsidiaire vordering, inhoudende de storting van de eventuele overwaarde op een depotrekening, wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/721187 / KG ZA 26-569

Vonnis in kort geding van 8 september 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats 1] ,

eisende partij,

advocaat: mr. M.G. Pittaluga,

tegen

[gedaagde] ,

wonend in [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

advocaat: mr. P.C.E. van den Hoek.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De zaak in het kort

Partijen hebben in 2006 samen een woning gekocht, ieder voor de onverdeelde helft. In 2013 is de relatie beëindigd. Tussen partijen is geen samenlevingscontract of andere schriftelijke regeling omtrent de woning tot stand gekomen. [eiser] vordert in deze procedure de medewerking van [gedaagde] tot verkoop van de woning aan een derde. [gedaagde] stelt reconventionele vorderingen in. Zij vordert dat de door haar gedane investeringen in de verrekening van de overwaarde wordt betrokken. Ook vordert [gedaagde] afgifte van administratie door [eiser] . De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] toe. De voorzieningenrechter wijst ook een deel van de reconventionele vorderingen toe.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding 17 juni 2026, met 7 bijlagen;
- de conclusie van antwoord, met 6 bijlagen;
- de mondelinge behandeling van 25 augustus 2026.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – kort gezegd – dat [gedaagde] meewerkt aan de verkoop van de woning aan een derde. Onder deze medewerking wordt onder meer verstaan het verlenen van toegang aan de woning aan een makelaar, taxateur en potentiële kopers, het meewerken aan bezichtigingen, het ondertekenen van de verkoopopdracht, de koopovereenkomst, de leveringsakte en alle overige documenten die noodzakelijk zijn voor een succesvolle verkoop en levering van de woning.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Na het verbreken van de relatie heeft [eiser] de woning verlaten. [gedaagde] is nog steeds woonachtig in de woning. Partijen hebben bij het verbreken van de relatie afgesproken dat de voormalige echtelijke woning voorlopig onverdeeld zou blijven totdat de jongste zoon van partijen naar de middelbare school zou gaan. Deze afspraak hield verband met het feit dat de jongste zoon destijds deels bij [gedaagde] woonde en partijen het in het belang van de kinderen achtten dat de kinderen gedurende hun jeugd in de voormalige gezamenlijke woning konden blijven wonen op momenten dat zij niet bij [eiser] verbleven.

Daarbij merkt [eiser] op dat de omstandigheden sinds het maken van voornoemde afspraak wezenlijk zijn gewijzigd. De jongste zoon woont inmiddels bij [eiser] en zijn huidige partner. De overige kinderen van partijen zijn inmiddels meerderjarig en wonen evenmin bij [gedaagde] in de voormalige gezamenlijke woning.

Partijen zijn dus nog steeds ieder voor een onverdeelde helft eigenaar van de woning. [eiser] heeft herhaaldelijk verzocht om de afwikkeling van de woning in gang te zetten, hetzij door overname van de woning, hetzij door verkoop daarvan aan een derde.

Door de verstoorde verhouding tussen partijen is een regeling hierover tot op heden

uitgebleven. Volgens [eiser] bestaat geen rechtvaardiging meer voor het voortduren van de onverdeeldheid van de woning.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] . Daarnaast stelt zij ook reconventionele vorderingen in. Kort gezegd vordert [gedaagde] in reconventie – voor zover de conventionele vordering van [eiser] wordt toegewezen – dat de door haar geïnvesteerde bedragen worden verrekend met de overwaarde, of dat de overwaarde op een depotrekening wordt gestort, totdat partijen over de verrekening overeenstemming hebben bereikt of hierover een uitspraak in een bodemprocedure is gedaan. Ook vordert [gedaagde] dat [eiser] de meegenomen administratie van [gedaagde] in het geding brengt.

4 De beoordeling in conventie en reconventie

Het toetsingskader in kort geding

4.1.

Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet beoordelen of [eiser] bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken.

4.2.

Met betrekking tot een geldvordering (meer specifiek een vordering tot verrekening) in kort geding is terughoudendheid voor toewijzing op haar plaats. Bij deze beoordeling speelt met name een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.

4.3.

Gezien de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie, bespreekt de voorzieningenrechter ze samen.

[eiser] heeft een spoedeisend belang bij de verkoop van de woning aan een derde

4.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] voldoende gesteld en onderbouwd dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Sinds juni 2025 zijn betalingsachterstanden ontstaan met betrekking tot de hypotheek. Die betalingsachterstanden hebben geleid tot een registratie bij het Bureau Krediet Registratie (BKR). Naast de lasten die verbonden zijn aan de voormalige gezamenlijke woning, draagt [eiser] ook de kosten van zijn huidige huishouding en woning. Het voortduren van de onverdeeldheid brengt voor hem te hoge financiële verplichtingen en onzekerheden met zich, terwijl hij geen feitelijk gebruik maakt van de woning. Daar komt bij dat inmiddels de rentevaste periode is verlopen, waardoor een nieuw rentepercentage is vastgelegd. Als gevolg hiervan is de maandelijkse rente van circa € 1.000,00 gestegen naar meer dan € 1800,00 per maand.

Om deze redenen heeft [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende belang bij een spoedige beslissing.

4.5.

Het standpunt van [gedaagde] dat een bodemprocedure de aangewezen weg is en dat geen sprake is van een spoedeisendheid belang omdat de verdeling door middel van verkoop van de woning aan een derde op zichzelf niet ter discussie staat, maakt dat niet anders. De verkoop van de woning staat los van de verdeling van de overwaarde. Het spoedeisend belang van [eiser] vergt dat verkoop niet kan wachten op de uitkomst van een (mogelijk noodzakelijke) bodemprocedure over hoe de verdeling verder zou moeten plaatsvinden.

[gedaagde] moet meewerken aan de verkoop van de woning, op straffe van een dwangsom

4.6.

Gezien het voorgaande en het feit dat [gedaagde] zich op zichzelf ook niet verzet tegen de verkoop van de woning aan een derde, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde] nu moet meewerken aan de verkoop van de woning. De discussie over de wijze van verdeling van de overwaarde is niet geschikt om te worden beslecht in kort geding. Daarvoor kunnen partijen eventueel een bodemprocedure beginnen als zij er niet in slagen er onderling uit te komen.

4.7.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] voldoende gesteld en onderbouwd waarom hij een dwangsom nodig vindt. Ondanks meerdere pogingen en verzoeken om gezamenlijk tot een vergelijk te komen, heeft [gedaagde] dat proces steeds gestaakt. Dat maakt dat een dwangsom nodig is als financiële prikkel om [gedaagde] in beweging te krijgen haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning.

[gedaagde] moet de woning tijdig ontruimen, de dwangsom wordt afgewezen

4.8.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat een veroordeling tot ontruiming op haar plaats is, gezien de opstelling van [gedaagde] in het (verkoop)proces tot nu toe. De vordering wordt daarom toegewezen, zoals die is geformuleerd in de vordering en verder niet is bestreden. De ontruimingstermijn van veertien (14) dagen vóór de geplande leveringsdatum komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. [gedaagde] heeft hier overigens ook geen verweer tegen gevoerd.

4.9.

De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Reden daarvoor is dat de deurwaarder met het vonnis de ontruiming kan bewerkstelligen. Die bevoegdheid heeft de deurwaarder op grond van de wet. Een dwangsom is dan niet nodig.

De overwaarde wordt op een depotrekening gestort

4.10.

De voorzieningenrechter wijst de “meer subsidiaire” vordering van [gedaagde] toe. Daartoe is het volgende redengevend.

4.11.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] op de zitting bevestigd dat hij niet weerspreekt dat door [gedaagde] investeringen zijn gedaan in de woning die in de verdeling moeten worden betrokken. Hij is bereid de door [gedaagde] in de woning geïnvesteerde bedragen van in totaal € 200.000,00 te verrekenen met de overwaarde. [eiser] heeft die bereidheid ook aangegeven ten aanzien van de door [gedaagde] betaalde notariskosten ad € 12.905,44. Daarnaast kan hij instemmen met het separeren van de overwaarde van de woning op een depotrekening.

De voorzieningenrechter zal dit laatste opnemen in de beslissing.


[eiser] moet de administratie aan [gedaagde] geven

4.12.

[gedaagde] vordert dat [eiser] de uit haar kantoor meegenomen administratie aan haar afgeeft. [eiser] heeft ter zitting aangegeven alleen één koopovereenkomst te hebben die nog niet is verstrekt, betreffende de aankoop van de woning door partijen. Andere stukken zijn er niet, aldus [eiser] . [gedaagde] heeft niet nader onderbouwd van welke (andere) stukken zij afgifte vordert. Daarom wijst de voorzieningenrechter de tegenvordering beperkt toe, in die zin dat [eiser] (alleen) de koopovereenkomst aan [gedaagde] geeft.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.13.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals is gevorderd. Dat past bij het aangenomen spoedeisend belang en het karakter van de gevraagde voorziening.

De proceskosten worden gecompenseerd

4.14.

Gelet op de (voormalige) relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis haar onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking te verlenen om de woning gelegen te ( [postcode] ) [plaats] aan het [adres] zo spoedig mogelijk te verkopen en te leveren aan een derde, waaronder dient te worden begrepen dat:

  • [gedaagde] binnen twee weken na de betekening van dit vonnis de verkoopopdracht verstrekt aan een door partijen gezamenlijk aan te wijzen NVM-makelaar, dan wel, bij gebreke van overeenstemming hierover binnen zeven dagen, aan een door [eiser] aan te wijzen NVM-makelaar, met een kopie van die verkoopopdracht aan [gedaagde] ;

  • [gedaagde] alle adviezen van de behandelend makelaar ter zake de bespoediging van de onderhandse verkoop van de woning opvolgt;

  • [gedaagde] de makelaar op eerste verzoek de toegang tot de woning verschaft voor het (laten) maken van foto's en het doen van bezichtigingen aan (een) potentiële koper(s);

  • [gedaagde] alle redelijke adviezen van de makelaar ter zake de prijsstelling van de woning en eventuele onderhoudswerkzaamheden opvolgt;

  • [gedaagde] ter zake van de verkoop op eerste verzoek de koopovereenkomst ondertekent;

  • [gedaagde] aanwezig zal zijn bij de notaris ter zake van de levering van de woning aan de toekomstige koper(s), althans daarvoor een volmacht aan de notaris zal afgeven,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om een dwangsom te betalen aan [eiser] van € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft aan de onder 5.1. genoemde veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 25.000,00,

5.3.

bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de bij de eigendomsoverdracht en

levering onder veroordeling 5.1. genoemde woning noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde] ,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] om de woning in ( [postcode] ) [plaats] aan het [adres] , met al het hare en al degenen die zich daarin met haar toestemming bevinden, uiterlijk veertien (14) dagen vóór de geplande leveringsdatum volledig te ontruimen en volledig leeg en bezemschoon, vrij van gebruik en ter vrije beschikking van de koper te stellen,

In reconventie

5.5.

bepaalt dat de overwaarde op een depotrekening van de notaris wordt gestort en dat uitbetaling aan partijen plaatsvindt nadat er ofwel overeenstemming tussen partijen over de verdeling van de overwaarde is bereikt ofwel hierover een (onherroepelijke) uitspraak in een bodemprocedure is gedaan,

5.6.

veroordeelt [eiser] tot afgifte aan [gedaagde] van de koopovereenkomst van de woning,

In conventie en reconventie

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026. [4041/1694]