Civiel recht overig
Kort geding. Vordering tot het verlenen van instemming met een boekenonderzoek. Afwijzing. Eiseres heeft…
Rechtbank Rotterdam, 13 april 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:4269 · Rechtbank Rotterdam · 13 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2026-4269
Zaakgegevens
Op 13 april 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 13 april 2026
- Datum publicatie
- 13 april 2026
- Zaaknummer
- C/10/715898 / KG ZA 26-220
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:4269
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. Vordering tot het verlenen van instemming met een boekenonderzoek. Afwijzing. Eiseres heeft onvoldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/715898 / KG ZA 26-220
Vonnis in kort geding van 13 april 2026
in de zaak van
STICHTING EUROCLONALITY,
statutaire vestigingsplaats: Leiden,
eisende partij,
advocaten: mrs. Y.A. Wehrmeijer en R. van Dongen,
tegen
ERASMUS UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM ROTTERDAM (ERASMUS MC),
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde partij,
advocaten: mrs. H.G.M. Berendschot en R. Chalmers Hoynck van Papendrecht.
Partijen worden hierna de Stichting en Erasmus MC genoemd.
1 De zaak in het kort
Het Euroclonality Consortium (‘het Consortium’) is een samenwerkingsverband van universitaire medische instituten, dat zich richt op de ontwikkeling, standaardisatie en kwaliteitsbewaking van laboratoriumtesten voor de diagnose van bloed- en lymfekanker. Erasmus MC is één van de participanten in het Consortium. De Stichting stelt zich op het standpunt dat zij de belangen van het Consortium bundelt en zorgdraagt voor de administratieve, financiële, juridische en logistieke verantwoordelijkheden binnen het Consortium. In dat kader heeft de Stichting een accountant ingeschakeld om een boekenonderzoek uit te voeren bij het Amerikaanse Invivoscribe, Inc. (‘IVS’). De Stichting meent namelijk onregelmatigheden te hebben ontdekt in de royaltybetalingen van IVS sinds het najaar van 2021. Na aanvankelijk aan het boekenonderzoek te hebben meegewerkt, stelt IVS zich nu op het standpunt dat Erasmus MC met het boekenonderzoek moet instemmen voordat het boekenonderzoek kan worden voortgezet. Erasmus MC weigert die instemming te verlenen en stelt zich op het standpunt dat zij als enige de bevoegdheid heeft om een eventueel boekenonderzoek te gelasten. Daarom vordert de Stichting primair dat Erasmus MC onder druk van een dwangsom wordt veroordeeld om de instemming alsnog te geven en subsidiair dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste instemming van Erasmus MC. Erasmus MC voert verweer, onder andere ten aanzien van het spoedeisend belang van de Stichting bij haar vorderingen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de Stichting af, omdat zij daar onvoldoende spoedeisend belang bij heeft. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 19 maart 2026, met bijlagen EC-1 tot en met EC-41;
-
de vrijwillige verschijning in de procedure van Erasmus MC;
-
de aanvullende bijlagen EC-42 tot en met EC-46 van de Stichting;
-
de conclusie van antwoord, met bijlagen GP-01 tot en met GP-22;
-
de aanvullende bijlagen GP-23 tot en met GP-25 van Erasmus MC;
-
de mondelinge behandeling op 30 maart 2026;
-
de spreekaantekeningen van mr. Wehrmeijer;
-
de spreekaantekeningen van mr. Chalmers Hoynck van Papendrecht.
3 De beoordeling
Het toetsingskader in een kort geding
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of de eisende partij ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet bij dat alles ook een belangenafweging maken.
De Stichting heeft onvoldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen
Eén van de vereisten om een vordering in een kort geding te kunnen toewijzen, is dus dat de partij die de vordering instelt voldoende spoedeisend belang heeft bij toewijzing daarvan. Het moet daarbij gaan om een situatie waarin, vanwege de feiten en omstandigheden van de zaak, het treffen van een onmiddellijke voorlopige voorziening noodzakelijk is en de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Stichting onvoldoende spoedeisend belang bij haar primaire en subsidiaire vordering heeft en dat die vorderingen alleen al om die reden moeten worden afgewezen. De voorzieningenrechter licht dit toe als volgt.
De Stichting stelt in het kader van het spoedeisend belang het volgende. Spoedeisend belang is een relatief begrip en in het kader van een kort geding hoeft enkel sprake te zijn van ‘enig spoedeisend belang’. Het feit dat nu onduidelijk is of de royalty-inkomsten van de Stichting correct zijn, levert zonder meer een voldoende en spoedeisend belang op bij haar vorderingen. Daarvoor is het natuurlijk prettig dat IVS aan Erasmus MC op haar verzoek heeft opgeschreven dat zij niet de boeken zal vernietigen, maar het gaat in deze zaak natuurlijk om het punt dat de Stichting belang heeft dat zo snel mogelijk duidelijkheid komt over de vraag of zij de juiste, volledige royalty-bedragen heeft ontvangen. De Stichting is voor het merendeel afhankelijk daarvan. Die gelden zijn ook nodig om baanbrekend wetenschappelijk werk te doen in het belang van patiënten die
daarbij zijn gebaat. Zonder voldoende financiering komt het Consortium in gevaar, wat uiteindelijk de samenleving negatief raakt, aldus de Stichting.
Dat het voor de Stichting onduidelijk is of IVS voldoende royalty’s aan haar heeft betaald en dat de Stichting daarom wil dat Erasmus MC zo snel mogelijk instemt met het uitvoeren van het boekenonderzoek, dwingt niet tot de conclusie dat de Stichting de uitkomst van een mogelijk nog te voeren bodemprocedure over de vraag of Erasmus MC die instemming moet verlenen niet kan afwachten. Een ander oordeel op dit punt zou feitelijk betekenen dat iedere situatie waarin onduidelijk is of een partij aan haar verplichtingen heeft voldaan voldoende spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening zou opleveren. Daarmee zou het vereiste van voldoende spoedeisend belang te zeer worden afgewaardeerd en dat is niet de bedoeling van de kort gedingprocedure.
Dat de Stichting er belang bij heeft dat zo snel mogelijk duidelijkheid komt over de vraag of zij de juiste, volledige royalty-bedragen van IVS heeft ontvangen, wil de voorzieningenrechter verder wel aannemen. Sterker nog, aangenomen mag worden dat iedere eisende partij in een civiele procedure zo snel mogelijk wil weten of zijn/haar vordering toewijsbaar is en daar ook belang bij heeft. Dat betekent echter nog niet dat iedere eisende partij in een civiele procedure ook voldoende spoedeisend belang bij die vordering heeft. Het enkele feit dat in een kort gedingprocedure sneller uitspraak wordt gedaan dan in een bodemprocedure, levert onvoldoende spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening op.
De stelling, tot slot, dat het voortbestaan van het Consortium in gevaar komt zonder voldoende financiering en dat – zo begrijpt de voorzieningenrechter – dus snel duidelijk moet worden of IVS voldoende royalty’s heeft betaald, levert in dit geval evenmin voldoende spoedeisend belang op. In de eerste plaats heeft Erasmus MC betwist dat het Consortium op omvallen staat als gevolg van de discussie over de van IVS ontvangen royalty’s, terwijl de Stichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat werkelijk sprake is van zo’n dreigende situatie. Daar komt bij dat de discussie over de royalty’s betrekking heeft op (een deel van de) royalty-betalingen in de periode vanaf het najaar van 2021 tot en met eind 2024. Dit betreffen dus royalty-betalingen van inmiddels ruim één tot 4,5 jaar geleden. Gelet hierop had van de Stichting mogen worden verwacht dat zij (nader) zou toelichten waarom het voortbestaan van het Consortium nu in gevaar als gevolg van mogelijk in die periode te weinig door IVS betaalde royalty’s. Dat heeft de Stichting echter niet (nader) toegelicht.
De conclusie
De conclusie is dat de primaire en subsidiaire vorderingen van de Stichting worden afgewezen vanwege een gebrek aan spoedeisend belang.
Ten overvloede
De voorzieningenrechter heeft er goede notie van genomen dat partijen op veel inhoudelijke punten van mening verschillen. Ook de verschillende overgelegde afspraken tussen partijen zijn voor velerlei uitleg vatbaar. Zo zijn partijen het er niet over eens (i) wat precies hun posities en bevoegdheden binnen het Consortium zijn, (ii) wie het Consortium mag vertegenwoordigen, (iii) wie de instructiebevoegdheid heeft om een boekenonderzoek bij IVS te gelasten, (iv) of IVS gerechtigd was om kosten voor juridische procedures om de patenten van het Consortium te beschermen in mindering mocht brengen op de royalty-betalingen aan het Consortium en (v) of (voldoende) aanleiding bestaat om het boekenonderzoek voort te zetten. Dit zijn wezenlijke punten die partijen verdeeld houden. Omdat partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben aangegeven (nog) niet met elkaar in overleg te zijn gegaan om deze punten verder te verhelderen, terwijl zij wel baat lijken te hebben bij helderheid mede gezien hun gedeelde belang bij de bescherming van hun rechten en de ontwikkeling, standaardisatie en kwaliteitsbewaking van laboratoriumtesten voor de diagnose van bloed- en lymfekanker, alsmede het innen van de royalty’s, geeft de voorzieningenrechter partijen in overweging om alsnog met elkaar in gesprek te gaan. Dat komt de verhoudingen binnen het Consortium en het wereldwijde onderzoek ten goede. Het al dan niet voortzetten van het boekenonderzoek bij IVS kan daarvan een onderdeel zijn.
De Stichting moet de proceskosten van Erasmus MC betalen
De Stichting is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Erasmus MC worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00 (tarief gemiddeld complexe zaak)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.101,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De proceskostenveroordeling en de veroordeling om daar wettelijke rente over te betalen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4 De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt de Stichting in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Stichting de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de Stichting € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt de Stichting in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart de veroordelingen in 4.2. en 4.3. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.
3349 / 3577