Civiel recht overig

Kort geding. Machtiging levering woning aan een derde. Toewijzing. Verstek.

Rechtbank Rotterdam, 13 mei 2026

Zaakgegevens

Op 13 mei 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
13 mei 2026
Datum publicatie
27 mei 2026
Zaaknummer
C/10/717170 / KG ZA 26-301
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. J.A.M. van de Sande
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:6014
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Machtiging levering woning aan een derde. Toewijzing. Verstek.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/717170 / KG ZA 26-301

Vonnis in kort geding van 13 mei 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

woonplaats: [woonplaats] ,

eisende partij,

advocaat: mr. J.A.M. van de Sande,

tegen

[gedaagde] ,

zonder bekend woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,

gedaagde partij,

die niet is verschenen.

De partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 30 maart 2026, met bijlagen I tot en met V;

  • de mondelinge behandeling op 7 mei 2026.

2 De vordering

2.1.

De vrouw vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, haar te machtigen – met uitsluiting van de man – om het appartementsrecht staande en gelegen aan de [adres] [woonplaats] te gelde te maken en daartoe deze woning te verkopen en te leveren aan een derde en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening af te lossen, met compensatie van de proceskosten.

3 De beoordeling

3.1.

De voorzieningenrechter verleent verstek tegen de man. De man is namelijk niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling, terwijl bij zijn oproeping in deze zaak alle wettelijke termijnen en regels zijn gevolgd.

3.2.

Het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vordering volgt uit haar stellingen in de dagvaarding. De woning is al verkocht en de vrouw moet de woning op een zo kort mogelijke termijn notarieel overdragen aan de kopers.

3.3.

Uit de stukken blijkt dat de vrouw de woning destijds – tijdens het huwelijk van partijen – heeft gekocht en dat het ten tijde van de echtscheiding de bedoeling van partijen is geweest dat de vrouw in haar eentje eigenares van de woning zou worden. Dit blijkt in het bijzonder uit een verklaring van de man. Gelet hierop komt de vordering de voorzieningenrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor. De vordering wordt om die reden toegewezen.

3.4.

Het uitgangspunt in zaken tussen ex-echtgenoten is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De vrouw heeft dat ook niet gevorderd. De proceskosten worden dus gecompenseerd.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

4.1.

machtigt de vrouw om het appartementsrecht staande en gelegen aan de [adres] [woonplaats] te gelde te maken en daartoe deze woning te verkopen en te leveren aan een derde en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening af te lossen;

4.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
3349 / 1694

Bijlage III van de vrouw. Artikel 139 Rv.