Civiel recht overig

Kort geding. Verlaten huurwoning na einde relatie. Belangenafweging. De man moet de huurwoning verlaten. Eis…

Rechtbank Rotterdam, 29 juni 2026

Zaakgegevens

Op 29 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
29 juni 2026
Datum publicatie
1 juli 2026
Zaaknummer
C/10/720167 / KG ZA 26-494
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. M.E Hoogenraad, mr. P.V. Hübner
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:7735
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Verlaten huurwoning na einde relatie. Belangenafweging. De man moet de huurwoning verlaten. Eis in reconventie tot vaststelling van een omgangs-/zorgregeling wordt als te prematuur afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/720167 / KG ZA 26-494

Vonnis in kort geding van 29 juni 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats ] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. M.E. Hoogenraad,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats ] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. P.V. Hübner.

1 De zaak in het kort

Partijen vorderen in deze procedure beiden dat de ander de gezamenlijke huurwoning moet verlaten. Na een afweging van de belangen van partijen wordt [gedaagde] veroordeeld om de woning uiterlijk op 16 juli 2026 te verlaten. De vordering in reconventie tot vaststelling van een omgangs-/zorgregeling wordt als te prematuur afgewezen.

2 De procedure

2.1.

Het dossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 2 juni 2026, met producties 1 tot en met 11;

- de conclusie van antwoord, met eis in reconventie, met producties 1 tot en met 8;

- producties 9 tot en met 12 van [gedaagde] ;

- producties 12 tot en met 16 van [eiseres] .

2.2.

De mondelinge behandeling heeft op 15 juni 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn op deze behandeling verschenen, bijgestaan door hun advocaten en een tolk.

3 De feiten

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn de volgende kinderen geboren:

  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012;

  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015; en

  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019.

3.2.

Uit de geboorteakten van de kinderen blijkt dat [gedaagde] [minderjarige 3] in Nederland op 8 februari 2023 heeft erkend en dat ook hij het ouderlijk gezag over haar uitoefent.

3.3.

[eiseres] heeft ook nog een meerderjarige dochter, [naam] , uit een vorige relatie.

3.4.

Partijen huren sinds 2 september 2014 de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning).

4 Het geschil

in conventie

4.1.

[eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om de woning binnen twee weken na dit vonnis te verlaten en niet meer te betreden totdat anders is beslist of afgesproken.

4.2.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] .

in reconventie

4.3.

[eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • [verweerster] te veroordelen om de woning binnen twee weken na dit vonnis te verlaten en niet meer te betreden;

  • te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen zal zijn bij [eiser] in de woning;

  • althans bij toewijzing van de vorderingen van [verweerster] een omgangs- c.q. zorgregeling vast te leggen inhoudende dat de minderjarigen elk weekend bij [eiser] zullen verblijven alsmede de helft van de vakanties en feestdagen.

4.4.

[verweerster] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .

5 De beoordeling

Het toetsingskader

5.1.

Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of de eisende partij ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet bij dat alles ook een belangenafweging maken.

5.2.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze vorderingen gezamenlijk behandeld.

[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen

5.3.

[eiseres] stelt een spoedeisend belang te hebben bij haar vorderingen, omdat de spanningen tussen partijen verder oplopen en dit niet in het belang is van de kinderen. Met deze stellingen heeft [eiseres] het spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt. [gedaagde] heeft het spoedeisend belang overigens ook niet betwist.

[gedaagde] moet de woning verlaten

5.4.

Partijen zijn het erover eens dat zij niet meer gelijktijdig in de woning kunnen verblijven. Nu vaststaat dat partijen beiden medehuurder zijn van de woning, zijn zij in principe beiden gerechtigd tot het gebruik van de woning. Beide partijen willen dat de ander de woning verlaat, zodat de een alleen het gebruik van de woning heeft met uitsluiting van de ander. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een belangenafweging in het voordeel van [eiseres] uitvalt en licht dit als volgt toe.

5.5.

Uitgangspunt in deze, ook bij artikel 3 IVRK passende, belangenafweging is dat minderjarige kinderen in ieder geval voorlopig in de woning blijven, samen met de ouder die het grootste deel van de dagelijkse zorg voor de kinderen heeft. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [eiseres] het ouderlijk gezag heeft over alle drie de minderjarige kinderen en dat partijen samen het ouderlijk gezag uitoefenen over [minderjarige 3] . Dat [gedaagde] ook het ouderlijk gezag uitoefent over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hen heeft erkend, is in deze procedure niet aannemelijk geworden. Dit blijkt immers niet uit de geboorteakten van de kinderen en de door [gedaagde] overgelegde stukken zijn niet vertaald naar het Nederlands. De betekenis van die uittreksels voor de afstamming van en het ouderlijk gezag over de kinderen zal in een bodemprocedure aan de orde moeten worden gesteld. [eiseres] heeft verder aannemelijk gemaakt dat zij het grootste deel van de dagelijkse verzorging van de kinderen op zich neemt, ook al neemt [gedaagde] ook een deel van de zorgtaken op zich. Als zij aan het werk is, kan zij opvang regelen voor haar kinderen bij haar moeder en/of bij haar oudste (volwassen) dochter.
[gedaagde] voert verder als verweer aan dat als hij de woning moet verlaten en zich op het adres van de woning moet uitschrijven, dit problemen zal veroorzaken voor zijn onderneming, de registratie van zijn auto, de auto- en zorgverzekering. Ook zal het lastig voor hem worden om een andere woning voor hem en de hond te vinden. Dit maakt echter niet dat de belangenafweging in zijn voordeel uitvalt. De inschrijving op een ander adres zal immers volgen zodra [gedaagde] een andere woning heeft gevonden. [eiseres] heeft ter zitting aangegeven dat als de hond een probleem oplevert bij het vinden van een nieuwe woning, de hond (tijdelijk) bij [eiseres] kan blijven.
Al het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het belang van [eiseres] , in samenhang met het belang van de kinderen, bij het uitsluitend gebruik van de woning groter is dan dat van [gedaagde] .

5.6.

Dit betekent dat [gedaagde] de woning moet verlaten. De gevorderde termijn van twee weken is echter te kort. De voorzieningenrechter sluit aan bij wat [eiseres] ter zitting heeft aangegeven, namelijk dat zij [gedaagde] tot de zomervakantie die op 17 juli 2026 begint, de tijd wil geven om vervangende woonruimte te vinden. Dit betekent dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning uiterlijk op 16 juli 2026 te verlaten en niet meer te betreden totdat anders is beslist of tussen partijen is overeengekomen.

Er wordt geen voorlopige omgangs-/zorgregeling vastgelegd

5.7.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om op dit moment een voorlopige omgangs-/zorgregeling vast te stellen, zoals de man (voorwaardelijk) heeft verzocht als reconventionele vordering. [gedaagde] heeft nagelaten deze vordering in zijn conclusie en nader ter zitting toe te lichten. Gelet op de in deze procedure aangevoerde omstandigheden ten aanzien van de verstandhouding tussen partijen en mogelijke alcoholproblematiek van [gedaagde] , welke omstandigheden [gedaagde] overigens grotendeels heeft betwist, acht de voorzieningenrechter zich onvoldoende ingelicht om een beslissing te nemen op het verzoek van [gedaagde] . [gedaagde] zal zijn verzoek aan de familierechter moeten voorleggen, waar ook de Raad voor de Kinderbescherming bij de nog te bepalen zitting aanwezig kan zijn en desgevraagd advies kan geven over de door [gedaagde] verzochte regeling.
De voorzieningenrechter wijst de vordering in reconventie dus af. De voorzieningenrechter geeft partijen in overweging om in onderling overleg tot een regeling te komen voor omgang tussen [gedaagde] en de kinderen.

De proceskosten worden gecompenseerd

5.8.

Omdat partijen ex-partners zijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om de woning aan de [adres] , uiterlijk op 16 juli 2026 te verlaten en niet meer te betreden, totdat anders is beslist of tussen partijen is overeengekomen,

6.2.

compenseert de kosten in conventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.5.

wijst de vorderingen van [gedaagde] af,

6.6.

compenseert de kosten in reconventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.
3608/2009