Civiel recht overig

Kort geding. Aanbesteding WMO- en leerlingenvervoer. Vorderingen strekkende tot heraanbesteding toegewezen…

Rechtbank Rotterdam, 29 juli 2026

Zaakgegevens

Op 29 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
29 juli 2026
Datum publicatie
30 juli 2026
Zaaknummer
C/10/721268 / KG ZA 26-577
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9313
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Aanbesteding WMO- en leerlingenvervoer. Vorderingen strekkende tot heraanbesteding toegewezen. De beoordeling van de inschrijving van eiseres kent in ieder geval drie gebreken: de Gemeente heeft haar eigen spelregels over het buiten behandeling stellen van inschrijvingen niet gevolgd, de Gemeente legt eis 39 onjuist en onbegrijpelijk uit en interpreteert, mede in dat licht, de inschrijving van eiseres niet goed, en de Gemeente heeft de inschrijving van eiseres op subgunningscriterium G4 verkeerd begrepen en daardoor niet juist gewaardeerd. De gebreken die samenhangen met eis 39 kunnen niet, althans onvoldoende worden hersteld door de inschrijving van eiseres (en eventueel alle andere inschrijvingen) opnieuw te beoordelen. Daarvoor zijn de gebreken te principieel en omvangrijk.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/721268 / KG ZA 26-577

Vonnis in kort geding van 29 juli 2026

in de zaak van

TRANSVISION B.V.,

gevestigd in Gorinchem,

eisende partij,

advocaten: mrs. J.W.A. Meesters en L. Bras-Snijdewind,

tegen

GEMEENTE CAPELLE AAN DEN IJSSEL,

zetelend in Capelle aan den IJssel,

gedaagde partij,

advocaten: mrs. P.B.J. van den Oord en N.J.R. van den Brink.

Partijen worden hierna Transvision en de Gemeente genoemd.

1 De zaak in het kort

1.1.

De Gemeente heeft een Europese openbare aanbesteding voor het uitvoeren van WMO- en leerlingenvervoer gepubliceerd via TenderNed (de Opdracht). De Gemeente heeft het voornemen om de Opdracht te gunnen aan De Vier Gewesten B.V. (DVG). Transvision kan zich niet vinden in dat voornemen. Zij stelt zich op het standpunt dat de Gemeente afwijkt van haar eigen beoordelingssystematiek, dat de Gemeente haar inschrijving op drie onderdelen onjuist heeft beoordeeld en dat de Gemeente heeft nagelaten de kenmerken en relatieve voordelen van de winnende inschrijving kenbaar te maken. Daarom vordert Transvision – kort gezegd – primair dat de Gemeente wordt veroordeeld om de gunningsbeslissing nader te motiveren en de inschrijving van Transvision opnieuw te beoordelen en subsidiair dat de Gemeente wordt veroordeeld om een heraanbesteding voor de Opdracht te organiseren. De Gemeente voert verweer. De voorzieningenrechter wijst de subsidiaire vordering van Transvision toe. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 11 juni 2026, met bijlagen 1 tot en met 12;

  • de conclusie van antwoord, met bijlagen 1 tot en met 4;

  • de mondelinge behandeling op 15 juli 2026;

  • de spreekaantekeningen van mr. Bras-Snijdewind;

  • de pleitnota van mr. Van den Brink.

2.2.

De mondelinge behandeling in deze zaak heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de mondelinge behandeling van de zaak met zaaknummer C/10/721051 / KG ZA 26-558, waarin vandaag ook vonnis wordt gewezen (met een vergelijkbare uitkomst).

3 Enkele feiten

3.1.

De Gemeente heeft een Europese aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het uitvoeren van WMO- en leerlingenvervoer (de Opdracht). Het gaat om een raamovereenkomst voor vijf jaar met een verleningsmogelijkheid en een maximale waarde van € 29 miljoen.

3.2.

In paragraaf 4.2 van de Offerteaanvraag (het Beschrijvend Document) staat het volgende:

“Uw inschrijving moet voldoen aan het programma van eisen in bijlage D. Voldoet u niet, dan nemen wij uw inschrijving niet verder in behandeling.”.

3.3.

In paragraaf 4.3 van de Offerteaanvraag staat dat de Opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de beste prijs-kwaliteitsverhouding. De inschrijvingen worden beoordeeld op de gunningscriteria kwaliteit en prijs. Het gunningscriterium kwaliteit is onderverdeeld in vijf subgunningscriteria (G1 tot en met G5), waarvoor in totaal zestig punten zijn te behalen. De meeste punten (twintig) zijn te behalen voor subgunningscriterium G3: Kwaliteitsplan personeel. Voor het gunningscriterium prijs zijn veertig punten te behalen.

3.4.

In de Offerteaanvraag is per gunningscriterium uiteengezet wat van een inschrijver wordt verwacht. Ten aanzien van subgunningscriterium G1 vermeldt de Offerteaanvraag – voor zover van belang – het volgende:

“(…) De Aanbestedende dienst verzoekt Inschrijver een concreet en uitvoerbaar implementatieplan aan te leveren, waarin wordt beschreven hoe de dienstverlening vanaf de eerste contractdag én na iedere zomervakantie zonder onderbrekingen en volgens planning wordt opgestart. (…)

Verplichte inhoud van het implementatieplan

Het implementatieplan bevat ten minste de volgende onderdelen: (…)

2 Start dienstverlening bij ingangsdatum overeenkomst

? Toelichting op de borging van voertuigbeschikbaarheid, personeelsinzet;

? Beschrijf de invulling tot het beperken van de effecten van de mutatiestop (zie pve opdrachtverstrekking). (…)”.

Ten aanzien van subgunningscriterium G3 vermeldt de Offerteaanvraag het volgende:

“De Inschrijver beschrijft op welke wijze de Inschrijver borgt dat haar medewerkers ook van haar eventuele onderaannemers (ook indien de Inschrijver hier vooraf geen gebruik van denkt te gaan maken) nu en in de toekomst in staat zijn om de afgesproken kwaliteit, zoals opgenomen in het programma van eisen, te leveren.

De inschrijver gaat in ieder geval in op:

? de inzet van vaste chauffeurs en de wijze waarop continuïteit voor vervoersgerechtigde of vervoersgerechtigde leerlingen wordt geborgd;

? op welke wijze de Inschrijver kennis van de doelgroep heeft en sociale vaardigheden van chauffeurs in de omgang met vervoersgerechtigden en vervoersgerechtigde leerlingen waarborgt.”.

Ten aanzien van subgunningscriterium G4 vermeldt de Offerteaanvraag – voor zover van belang – het volgende:

“Inschrijver beschrijft wijze waarop de communicatie met betrekking tot klachten plaatsvindt, zowel intern bij inschrijver alsook richting de indiener van de klacht en Aanbestedende Dienst.

Neem minimaal de volgende onderdelen op:

? Hoe de Inschrijver de indiener informeert over het verdere verloop van de klachtbehandeling

? Hoe de Inschrijver zorgt voor duidelijke, begrijpelijke en respectvolle communicatie, afgestemd op de doelgroep;

? Hoe herhaling van vergelijkbare klachten wordt gesignaleerd en voorkomen; (…)”.

3.5.

In paragraaf 4.4 van de Offerteaanvraag staat dat het beoordelingsteam onder andere let op de mate waarin de inschrijving concreet (smart: specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdsgebonden) beschreven is.

3.6.

Het Programma van Eisen (bijlage D bij de Offerteaanvraag) vermeldt als eis 39 het volgende:

“Leerlingenvervoer: opdrachtnemer plant de ritten met een vaste chauffeur per route. De inzet van twee vaste chauffeurs, volgens een wekelijkse structuur is ook toegestaan. Dit betekent dat ook dat beide chauffeurs alvorens de inzet van het leerlingenvervoer plaatsvindt kennismaken met de vervoersgerechtigde leerling en zijn of haar ouder(s), verzorgers). In geval van ziekte van de chauffeur of anderszins afwezigheid informeert Opdrachtnemer terstond de ouder(s)/verzorger(s), en/of school. Opdrachtnemer kan zich niet beroepen op de onmogelijkheid om tijdig voldoende chauffeurs te werven.”.

3.7.

Het Programma van Eisen vermeldt als eis 64 – voor zover van belang – het volgende:

“Wmo- en leerlingenvervoer: opdrachtgever stelt een uitvoergarantie als essentiële eis. Deze uitvoergarantie houdt in dat iedere geplande rit ook daadwerkelijk en volledig wordt uitgevoerd. Opdrachtnemer kan een eenmaal geplande rit niet eenzijdig wijzigen, uitstellen of annuleren. (…)”.

3.8.

Het Programma van Eisen vermeldt als eis 140 – voor zover van belang – het volgende:

“(…) Een invallende chauffeur, vanwege ziekte of vakantie van de vaste chauffeur, dient zich voor te stellen aan ouders of verzorgers van de vervoersgerechtigde leerling, bij het ophalen van de vervoersgerechtigde leerling.”.

3.9.

Het Programma van Eisen vermeldt als eis 141 het volgende:

“Leerlingenvervoer: bij belangrijke wijzigingen in de ritplanningen en/of chauffeur

gedurende het schooljaar worden de ouder(s)/verzorger(s) zo spoedig mogelijk geïnformeerd. Bij tussentijdse wijziging naar een nieuwe vaste chauffeur dient deze nieuwe vaste chauffeur vooraf persoonlijk kennis te maken met ouder(s)/verzorger(s) en leerlingen (minimaal 3 dagen voorafgaand aan de start). Het is niet toegestaan kennismaking of doorgeven van wijzigingen op zondag te laten plaatsvinden.”.

3.10.

Het Programma van Eisen vermeldt als eis 147 – voor zover van belang – het volgende:

“(…) De klachtenprocedure voldoet minimaal aan de volgende vereisten:
(…)
- Klachten worden inhoudelijk beantwoord en afgehandeld binnen maximaal tien (10) werkdagen na ontvangst;
(…)

Indien afhandeling binnen tien (10) werkdagen niet mogelijk is, wordt de vervoersgerechtigde of ouder(s), verzorger(s) van de vervoersgerechtigde leerling binnen deze termijn schriftelijk geïnformeerd onder vermelding van een gemotiveerde toelichting en een nieuwe redelijke termijn van maximaal twintig (20) werkdagen waarbinnen de klacht alsnog inhoudelijk wordt afgehandeld. (…)”.

3.11.

De inschrijving van Transvision op subgunningscriterium G3 vermeldt – voor zover van belang – het volgende:

“(…) Iedere leerlingenroute in Capelle aan den IJssel krijgt een vaste chauffeur en een vaste backupchauffeur, (…)

Onze norm: minimaal 90% van de ritten per leerlingenroute wordt gereden door de vaste of backupchauffeur, (…). Het restrisico, structurele afwijking door uitval of verloop bij een regiepartner, beheerst Transvision via de drietrapsborging en de contractuele vervangingsplicht. (…)

Valt een vaste chauffeur definitief weg, dan neemt de backupchauffeur de route

over als nieuwe vaste chauffeur en wordt zo snel mogelijk een nieuwe backup

aangewezen en opgeleid. (…)”.

3.12.

De voorlopige gunningsbeslissing van 10 april 2026 luidt:

“(…) U heeft meegedaan aan de aanbesteding WMO- en leerlingenvervoer, EU/2026.012.

We ontvingen 7 offertes. Alle offertes zijn gecontroleerd en beoordeeld op geldigheid, eisen en prijs-kwaliteitverhouding.

Uw offerte voldeed aan de eisen, maar had niet de beste prijs-kwaliteitverhouding. Daarom wordt de opdracht niet aan uw organisatie gegund.

U behaalde 69.20 punten. De winnende offerte had 71.42 punten. In de bijlage staat een overzicht van uw score en die van de winnende partij.

De opdracht wordt gegund aan:

– de vier gewesten B.V. te Rijen (…)”.

In de bijlage van de voorlopige gunningsbeslissing staat een overzicht van de scores van Transvision respectievelijk DVG, met daaronder een onderbouwing van de punten die Transvision op de verschillende onderdelen van de aanbesteding heeft gescoord. Die onderbouwing luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Onderbouwing scores

G1 Implementatieplan
(…)
- Maatregelen voor het aantrekken van chauffeurs zijn beperkt uitgewerkt. (…)

G3 Kwaliteitsplan personeel

- Niet voldaan aan essentiële eis: inzet van vaste chauffeur en 1 vaste back-up (slechts 90%).

- Deze afwijking van het Programma van Eisen wordt als niet toelaatbaar beoordeeld en vormt een significant risico voor continuïteit en kwaliteit.

- Het niet volledig voldoen aan deze eis wordt als zeer kwalijk gezien, mede gezien het belang binnen het leerlingenvervoer en signalen uit de markt. (…)

G4 Kwaliteitsplan communicatie

(…)

- Eis (174) wordt onjuist beschreven of geïnterpreteerd. (…)”.

3.13

De Gemeente heeft desgevraagd op 26 mei 2026 een nadere toelichting op de gunningsbeslissing gegeven; daarin heeft zij aangegeven dat zij niet nader zal ingaan op de inschrijving van DVG.

4 De vorderingen

4.1.

Transvision vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

  • a) de Gemeente te verbieden tot definitieve gunning aan DVG over te gaan;

  • b) de Gemeente te gebieden de gunningsbeslissing binnen vijf dagen na dagtekening van het vonnis nader te motiveren aan Transvision, door in ieder geval de kenmerken en relatieve voordelen van de winnende inschrijving schriftelijk toe te lichten met inachtneming van het in het vonnis bepaalde, en een nieuwe bezwaartermijn van 20 dagen te hanteren waarbinnen Transvision tegen die nadere motivering van de gunningsbeslissing kan opkomen;

  • c) de Gemeente te gebieden de inschrijving van Transvision gedeeltelijk te herbeoordelen conform de in het vonnis gehonoreerde bezwaren op de gunningscriteria G1, G3 en/of G4, de scores voor die gunningscriteria met inachtneming daarvan bij te stellen en vervolgens de gunningsbeslissing in te trekken en een nieuwe gunningsbeslissing te nemen;

subsidiair

  • d) de Gemeente te gebieden de gunningsbeslissing binnen vijf dagen na het wijzen van het vonnis in te trekken, althans hier geen verdere uitvoering aan te geven;

  • e) de Gemeente te gebieden om de lopende aanbesteding te staken en gestaakt te houden en, indien en voor zover zij de Opdracht nog wenst te vergeven, hiervoor een nieuwe Europese aanbestedingsprocedure uit te schrijven;

primair en subsidiair

( f) de Gemeente te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen veertien kalenderdagen na dagtekening van het vonnis zijn voldaan, de Gemeente zonder nadere sommatie wettelijke rente ingevolge artikel 6:119 BW is verschuldigd.

5 De beoordeling

5.1.

De bezwaren van Transvision tegen de beoordeling van haar inschrijving vallen in twee delen uiteen: bezwaren tegen het feit dat de Gemeente haar eigen spelregels over het niet in behandeling nemen van een inschrijving niet heeft gevolgd en bezwaren tegen de beoordeling van haar inschrijving ten aanzien van subgunningscriteria G1, G3 en G4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de meeste van deze bezwaren terecht zijn en dat zij in samenhang bezien grond zijn voor een heraanbesteding.

De Gemeente had de inschrijving van Transvision niet in behandeling moeten nemen

5.2.

Uit paragraaf 4.2 van de Offerteaanvraag volgt dat een inschrijving niet verder in behandeling wordt genomen als die inschrijving niet aan het Programma van Eisen voldoet. Eén van de eisen uit het Programma van Eisen is dat de opdrachtnemer de ritten plant met een vaste chauffeur per route, waarbij de inzet van twee vaste chauffeurs – volgens een wekelijkse structuur – ook is toegestaan. Uit de voorlopige gunningsbeslissing blijkt dat de Gemeente van mening is dat de inschrijving van Transvision niet aan deze eis voldoet.

5.3.

Door de inschrijving van Transvision vervolgens wel in behandeling te nemen en in de kwalitatieve beoordeling van de inschrijving te betrekken dat de inschrijving van Transvision naar de mening van de Gemeente niet aan eis 39 voldoet, heeft de Gemeente haar eigen spelregels niet gevolgd. Als de Gemeente die spelregels wel had gevolgd, had zij de inschrijving van Transvision niet in behandeling moeten nemen.

Het verweer van de Gemeente dat zij het in dit geval disproportioneel vond om de inschrijving niet in behandeling te nemen en dat zij er daarom voor heeft gekozen om het niet voldoen aan eis 39 in de kwalitatieve beoordeling van de inschrijving van Transvision te betrekken, snijdt geen hout. Paragraaf 4.2 van de Offerteaanvraag laat namelijk geen ruimte voor een proportionaliteitstoets. Er is geen sprake van een discretionaire bevoegdheid van de Gemeente om de inschrijving al dan niet buiten behandeling te stellen als niet aan het Programma van Eisen wordt voldaan. Door desondanks een proportionaliteitstoets aan te leggen, heeft de Gemeente in strijd met het transparantiebeginsel gehandeld. In dat verband is van belang dat andere belangstellenden mogelijk van inschrijving hebben afgezien, omdat zij niet zonder meer aan eis 39 konden voldoen. Zij hoefden er geen rekening mee te houden dat de Gemeente dit via een proportionaliteitscorrectie zou oplossen.

De Gemeente stelt zich verder op het standpunt dat een inschrijver bij het indienen van de inschrijving verklaart te voldoen aan het Programma van Eisen en dat dit aan buiten behandelingstelling van de inschrijving van Transvision in de weg zou staan. De voorzieningenrechter volgt de Gemeente niet in dit standpunt. Iedere inschrijver verklaart immers met het doen van een inschrijving dat zij aan het Programma van Eisen voldoet. Als dit zou betekenen dat een inschrijving niet meer ongeldig kan worden verklaard op het moment dat de Gemeente van mening is dat een inschrijving toch niet aan het Programma van Eisen voldoet, zou paragraaf 4.2 van de Offerteaanvraag een lege huls zijn en zou dus het oordeel over de geldigheid niet meer bij de Gemeente liggen, maar bij de inschrijver. Dat is een onbegrijpelijke uitleg van de aanbestedingsstukken.

5.4.

Doordat de Gemeente haar eigen spelregels over het buiten behandeling stellen van inschrijvingen niet heeft gevolgd, bevat de aanbestedingsprocedure een gebrek. Dat gebrek kan niet worden hersteld door (een veroordeling tot) herbeoordeling. De voorzieningenrechter is namelijk ook van oordeel dat de Gemeente zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de inschrijving van Transvision niet aan eisen 39 en 147 van het Programma van Eisen voldoet.

De inschrijving van Transvision voldoet aan eis 39

5.5.

Eis 39 van het Programma van Eisen houdt – voor zover van belang – in dat een opdrachtnemer de ritten inplant met een vaste chauffeur per route, waarbij de inzet van twee vaste chauffeurs, volgens een wekelijkse structuur, ook is toegestaan. Het gaat dus nadrukkelijk om het “inplannen” van de ritten met één vaste chauffeur of met twee vaste chauffeurs volgens een wekelijkse structuur. De inschrijving van Transvision strookt in zoverre met deze eis, aangezien daarin staat: “Iedere leerlingenroute in Capelle aan den IJssel krijgt een vaste chauffeur en een vaste backupchauffeur”.

5.6.

Anders dan de Gemeente in de gunningsbeslissing van Transvision schrijft, is op grond van eis 39 niet verplicht dat een inschrijver ook een vaste back-up chauffeur aanbiedt. In zoverre is de beoordeling van de inschrijving van Transvision dus al langs een strengere lat gelegd dan eis 39 voorschrijft. Daar komt het volgende bij.

5.7.

De Gemeente stelt zich op het standpunt dat Transvision met haar inschrijving afwijkt van wat wel in eis 39 is voorgeschreven, in die zin dat Transvision in haar inschrijving een KPI introduceert volgens welke minimaal 90% van de ritten per leerlingenroute wordt gereden door de vaste of backupchauffeur en waarmee afbreuk zou worden gedaan aan de ondergrens die in eis 39 wordt gesteld. Dat berust echter op een uitleg van eis 39 die niet uit de bewoordingen volgt en waarop geen redelijk oplettende inschrijver bedacht hoefde te zijn.

5.8.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat het in de praktijk feitelijk niet haalbaar is om iedere rit daadwerkelijk door één vaste chauffeur of twee vaste chauffeurs volgens een wekelijkse structuur uit te laten voeren. Er zijn immers situaties denkbaar waarin (één van) de vaste chauffeur(s) verhinderd is/zijn om de rit uit te voeren, bijvoorbeeld door vakantie, deeltijdwerken, ziekte of een andere onvoorziene omstandigheid. In zo’n geval moet de rit worden uitgevoerd door een vervangende chauffeur. Voor die vervangende chauffeur geldt weliswaar een aantal regels, maar in eis 39 valt niet te lezen dat een vaste vervanger moet worden aangeboden.

Eis 39 noemt evenmin een “ondergrens”. De verwijzing van de Gemeente naar de garantie die de inschrijver moet geven dat alle ritten daadwerkelijk worden gereden (eis 64), staat hier los van. Kennelijk heeft de commissie de inschrijving van Transvision zo gelezen dat zij zich het recht voorbehoudt om tot 10% van de ritten in het geheel niet te rijden. Voor die interpretatie biedt de inschrijving echter geen redelijk aanknopingspunt. In haar inschrijving heeft Transvision immers uitdrukkelijk gegarandeerd (onder “capaciteitsborging”) dat zij iedere rit daadwerkelijk rijdt.

5.9.

Transvision zet in op een vaste chauffeur én een vaste back-upchauffeur per route. Transvision benoemt als concrete norm, waaraan zij zichzelf blijkbaar gehouden acht, dat minimaal 90% van de ritten per leerlingenroute wordt gereden door de vaste of back-upchauffeur. De voorzieningenrechter begrijpt dit laatste aldus, dat Transvision een inschatting doet dat in de praktijk 90% van de ritten daadwerkelijk door de vaste (back-up)chauffeur wordt uitgevoerd. De overige 10% van de ritten wordt naar verwachting kennelijk door een andere, wisselende vervangende chauffeur gereden. Dat is niet in strijd met eis 39 of enige andere eis uit het Programma van Eisen.

Transvision kan gelet op wat hiervoor is overwogen ook helemaal niet garanderen dat alle ritten van alle leerlingen door één vaste (back-up)chauffeur worden gereden. Een dergelijke toezegging zou dan ook in strijd zijn met de door de Gemeente geëiste SMART-uitwerking van de inschrijving, waarvan de “R” voor Realistisch staat. Het getuigt juist van realisme dat Transvision zichzelf oplegt dat minimaal 90% van de ritten daadwerkelijk door de vaste (back-up)chauffeur worden uitgevoerd. Een dergelijke inschatting c.q. kwantificering is niet in strijd met eis 39 en sorteert ook niet voor op een situatie waarin afbreuk wordt gedaan aan die eis of aan eis 64. Daarnaast is het kwantificeren van de inschrijving ook juist in lijn met de door de Gemeente geëiste SMART-uitwerking (de “M” staat immers voor Meetbaar). De voorzieningenrechter ziet niet in, en de Gemeente heeft niet uitgelegd, hoe Transvision haar inschrijving op een andere wijze meetbaar had kunnen maken.

De inschrijving van Transvision voldoet ook aan eis 147

5.10.

De inschrijving van Transvision vermeldt in het kader van subgunningscriterium G4: “Wij garanderen een inhoudelijke afhandeling van 95% van de klachten binnen twee

werkdagen en 100% binnen vijf werkdagen, ruimschoots binnen de PvE-contracttermijn

van 21 werkdagen.”. Hoewel de Gemeente in de voorlopige gunningsbeslissing schrijft dat Transvision in haar inschrijving eis 174 onjuist uitlegt of interpreteert, is inmiddels duidelijk dat hiermee eis 147 is bedoeld.

5.11.

Eis 147 schrijft onder meer voor dat klachten inhoudelijk worden beantwoord en afgehandeld binnen maximaal tien werkdagen na ontvangst. Als dat niet mogelijk blijkt, moet de vervoersgerechtigde binnen deze termijn schriftelijk worden geïnformeerd onder vermelding van een gemotiveerde toelichting en een nieuwe redelijke termijn van maximaal twintig werkdagen waarbinnen de klacht alsnog inhoudelijk wordt afgehandeld.

5.12.

Transvision heeft in haar inschrijving toegezegd dat 95% van de klachten binnen twee werkdagen wordt afgehandeld en dat 100% van de klachten binnen vijf werkdagen wordt afgehandeld. Dit is dus ruimschoots binnen de door de Gemeente geëiste termijn van maximaal tien werkdagen. Dat Transvision in haar inschrijving ook verwijst naar een maximale (PvE)-termijn voor klachtafhandeling van 21 werkdagen, wekt niet de indruk van een verkeerde uitleg of interpretatie van eis 147 maar lijkt op een rekenfout/verschrijving. De maximale termijn voor klachtafhandeling is immers dertig werkdagen (een initiële termijn van maximaal tien werkdagen plus een extra termijn van maximaal twintig werkdagen). Met de door Transvision genoemde (foutieve) maximale termijn van 21 werkdagen blijft Transvision dus onder het daadwerkelijke door de Gemeente gestelde maximum. Bovendien volgt uit de rest van de inschrijving van Transvision dat deze termijn slechts onder uitzonderlijke omstandigheden geldt en dat het uitgangspunt blijft dat 100% van de klachten binnen vijf werkdagen is afgehandeld (en 95% nog sneller).

5.13.

Het standpunt van de Gemeente dat de beoordeling op subgunningscriterium G4 niet negatief is beïnvloed door de opmerking dat Transvision eis 147 verkeerd zou hebben beschreven of geïnterpreteerd, komt niet aannemelijk voor. Transvision heeft op dat subgunningscriterium niet de maximale score behaald, terwijl Transvision onweersproken heeft gesteld dat los van de opmerking over eis 147 in de beoordeling van subgunningscriterium G4 geen minpunten staan benoemd. Het valt dan ook niet in te zien waarom Transvision, als de opmerking over eis 147 wordt weggedacht, geen hogere score zou hebben behaald op subgunningscriterium G4.

De Opdracht moet opnieuw worden aanbesteed

5.14.

De beoordeling van de inschrijving van Transvision kent dus in ieder geval drie gebreken: de Gemeente heeft haar eigen spelregels over het buiten behandeling stellen van inschrijvingen niet gevolgd, de Gemeente legt eis 39 onjuist en onbegrijpelijk uit (zodat het niet stellen van vragen daarover niet relevant is) en interpreteert, mede in dat licht, de inschrijving van Transvision niet goed, en de Gemeente heeft de inschrijving van Transvision op subgunningscriterium G4 verkeerd begrepen en daardoor niet juist gewaardeerd.

5.15.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gebreken die samenhangen met eis 39 niet, althans onvoldoende kunnen worden hersteld door de inschrijving van Transvision (en eventueel alle andere inschrijvingen) opnieuw te beoordelen. Daarvoor zijn de gebreken te principieel en omvangrijk. Dit geldt te meer doordat ze betrekking hebben op de beoordeling op het zwaarst wegende subgunningscriterium G3. Bovendien valt voor de voorzieningenrechter (en Transvision) niet te controleren of de Gemeente andere inschrijvingen die naar haar mening niet aan het Programma van Eisen voldoen op grond van een proportionaliteitstoets toch – ten onrechte – inhoudelijk heeft beoordeeld. Er rest dan ook meer één uitkomst: de Gemeente zal de Opdracht opnieuw moeten aanbesteden in het geval dat zij de Opdracht nog steeds wil vergunnen. Gelet daarop worden de vorderingen (d) en (e) toegewezen.

5.16.

De bezwaren van Transvision tegen de motivering van de voorlopige gunningsbeslissing en de beoordeling van haar inschrijving voor wat betreft subgunningscriterium G1 kunnen onbesproken blijven, evenals het ontbreken van een nadere toelichting op de kenmerken en relatieve voordelen van de winnende inschrijving. Ook als Transvision op deze punten gelijk zou hebben, leidt dit namelijk niet tot een andere uitkomst van de zaak.

De Gemeente moet de proceskosten van Transvision betalen

5.17.

De Gemeente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Transvision worden begroot op:

- dagvaarding € 125,57

- griffierecht € 735,00

- salaris advocaat € 1.177,00 (tarief gemiddeld complexe zaak)

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 2.226,57

5.18.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

5.19.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter:

6.1.

gebiedt de Gemeente om de gunningsbeslissing van 10 april 2026 binnen vijf dagen na vandaag in te trekken, althans hier geen verdere uitvoering aan te geven;

6.2.

gebiedt de Gemeente om de lopende aanbesteding te staken en gestaakt te houden en, indien en voor zover zij de Opdracht nog wenst te vergeven, hiervoor een nieuwe Europese aanbestedingsprocedure uit te schrijven;

6.3.

veroordeelt de Gemeente in de proceskosten van € 2.226,57, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;

6.4.

veroordeelt de Gemeente in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

6.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.

3349 / 106