Civiel recht overig

Kort geding. Executiegeschil. Afwijzing. Geen reden om executie te schorsen (aan de hand van het…

Rechtbank Rotterdam, 20 april 2026

Zaakgegevens

Op 20 april 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
20 april 2026
Datum publicatie
30 juli 2026
Zaaknummer
C/10/718122 / KG ZA 26-358
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. A Mao, mr. R.H.W. van Ewijk
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9326
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Executiegeschil. Afwijzing. Geen reden om executie te schorsen (aan de hand van het toestingskader voor schorsing van een executie). Artikel 438 Rv.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/718122 / KG ZA 26-358

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de zitting van 20 april 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

advocaat: mr. A. Mao,

tegen

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

advocaat: mr. R.H.W. van Ewijk.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

Tegenwoordig zijn mr. C. Bouwman, voorzieningenrechter, en mr. S.M.M. Hasham, griffier.

Na uitroeping van de zaak verschijnen:

? [eiser] ,

? [gedaagde] ,

? mr. Mao, voornoemd,

? mr. Van Ewijk, voornoemd.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter op grond van artikel 29a Rv ter zitting mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1 De zaak in het kort

1.1.

Deze zaak gaat om een executiegeschil naar aanleiding van een arrest van het Gerechtshof Den Haag. [gedaagde] heeft in de hoger beroepsprocedure een executoriale titel verkregen ter voldoening van een schuld van [eiser] aan [gedaagde] . Het arrest heeft kracht van gewijsde. [eiser] vordert in dit kort geding onder meer dat [gedaagde] de executie van het arrest schorst. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 14 april 2026 met bijlagen 1 tot en met 23;

  • de conclusie van antwoord met bijlagen 1 tot en met 39;

  • de akte aanvullende producties, tevens akte aanvulling van de conclusie van antwoord met bijlagen 40 tot en met 47;

  • de mondelinge behandeling van 20 april 2026;

  • de pleitnota van mr. A. Mao, tevens inhoudende wijziging van eis;

  • de pleitnota van mr. R.H.W. van Ewijk.

3 Het geschil

3.1.

Na wijziging van eis vordert [eiser] primair schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 15 augustus 2023, althans [gedaagde] te verbieden de woning te gunnen, zolang de geldigheid van de cessie niet is vastgesteld en de curator niet als getuige is gehoord, subsidiair dat [gedaagde] slechts aanspraak maakt op uitbetaling van het onbetwiste deel – hoofdsom, wettelijke rente en BTAG-conforme deurwaarderskosten – en dat het betwiste deel in depot blijft en meer subsidiair aanhouding van dit kort geding en de gunning te schorsen in afwachting van het getuigenverhoor van de curator. In alle gevallen met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

[gedaagde] heeft ingestemd met de – niet vooraf aangekondigde – wijziging van de eis ter zitting. De voorzieningenrechter gaat uit van de vorderingen zoals die na de eiswijziging luiden.

3.2.

[eiser] legt aan deze vorderingen – sterk samengevat – het volgende ten grondslag. De ‘kernvordering’ van [gedaagde] is al gedekt en de executiebevoegdheid van [gedaagde] rust op een twijfelachtige grondslag van de cessie.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert – sterk samengevat – het volgende aan. Zij heeft een executoriale titel en mag die tenuitvoerleggen nu [eiser] niet vrijwillig wil of kan betalen. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In een executiegeschil tegen een uitspraak waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer open staat kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van die uitspraak slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Daarbij moet ook gelet worden op de belangen van de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad. Schorsing is mogelijk als de te executeren uitspraak klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of als de tenuitvoerlegging op grond van na de uitspraak vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

De primaire vordering wordt afgewezen

4.2.

De voorzieningenrechter wijst de primaire vordering van [eiser] af. Er is geen grond voor schorsing van de executie of het verbieden van executiemaatregelen. Er is geen grond om aan de rechtsgeldigheid van de cessie te twijfelen en er is er geen juridische basis voor de vordering dat de geldigheid van de cessie nog moet worden vastgesteld of dat eerst nog een getuige moet worden gehoord voordat [gedaagde] kan overgaan tot executie. [gedaagde] heeft een executoriale titel en er is na het verkrijgen van die titel niet gebleken van omstandigheden die voor [eiser] zouden leiden tot een noodtoestand, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.3.

De voorzieningenrechter neemt ook in aanmerking dat van een onverwijlde tenuitvoerlegging door [gedaagde] geen sprake is. Het doel van [gedaagde] is om betaald te krijgen. Als daarvoor vereist is dat de woning geveild moet worden, dan beschikt zij over de benodigde executoriale titel.

[gedaagde] heeft belang bij het voortzetten van de executie nu [eiser] niet (vrijwillig) aan haar in rechte vastgestelde betalingsverplichtingen voldoet. Immers, sinds het arrest van het Gerechtshof Den Haag is inmiddels ruim 2,5 jaar verstreken.

De subsidiaire vordering wordt afgewezen

4.4.

De voorzieningenrechter ziet geen grond om te bepalen dat [gedaagde] slechts aanspraak kan maken op uitbetaling van onbetwiste delen van de vordering. De executiekosten dienen uiteraard deugdelijk te worden gespecificeerd. Niet aannemelijk is gemaakt dat executiekosten in rekening dreigen te worden gebracht die niet werkelijk zijn gemaakt. Bovendien kan een eventueel geschil daarover later worden beslecht.

Dat de kosten van executie inmiddels relatief hoog zijn opgelopen, heeft [eiser] aan zichzelf te wijten. [eiser] had (eerder) actie kunnen ondernemen om het daarheen te leiden dat aan haar een hypothecaire geldlening zou worden verstrekt waaruit de vorderingen zouden kunnen worden voldaan. In plaats daarvan heeft [eiser] een complex executietraject laten ontstaan, waarbij zij ter voorkoming van executie toezeggingen van voorgenomen betaling heeft laten doen, die zij niet is nagekomen.

De meer subsidiaire vordering wordt afgewezen

4.5.

De meer subsidiaire vordering tot het aanhouden en schorsing van de gunning is innerlijk tegenstrijdig. Er is geen grond om de gunning te schorsen in afwachting van een getuigenverhoor dat [eiser] nog wenst te laten plaatsvinden. Verder is onduidelijk wat de relevantie van het horen van de getuige zou zijn voor de vordering zoals die hier is ingesteld. De stelling dat de getuige over “zeer belangrijke informatie” beschikt is uiterst vaag.

Conclusie

4.6.

De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht

€

341,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.707,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en mondeling uitgesproken op 20 april 2026. Dit proces-verbaal wordt afgegeven op 22 april 2026.

Waarvan proces-verbaal,
4041/1729