Civiel recht overig
Kort geding. Nakomingsvordering (meewerken verkoop woning). Afwijzing. Hoewel eiser heeft gesteld en…
Rechtbank Rotterdam, 24 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:9340 · Rechtbank Rotterdam · 24 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2026-9340
Zaakgegevens
Op 24 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 24 juli 2026
- Datum publicatie
- 30 juli 2026
- Zaaknummer
- C/10/722065 / KG ZA 26-644
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. D.E. Oud
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:9340
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. Nakomingsvordering (meewerken verkoop woning). Afwijzing. Hoewel eiser heeft gesteld en onderbouwd dat gedaagde de afspraken keer op keer niet nakomt en dat eiser bij de vorderingen een spoedeisend belang heeft vanwege de aard van het geschil, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een belangenafweging uitvalt in het voordeel van gedaagde.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/722065 / KG ZA 26-644
Vonnis in kort geding van 24 juli 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
wonend te [woonplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. D.E. Oud,
tegen
[gedaagde] ,
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
verschenen in persoon.
Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.
1 De zaak in het kort
Partijen waren gehuwd. Op [datum] is de echtscheiding uitgesproken. Partijen hebben op dit moment nog een woning in gezamenlijke eigendom, ieder voor de onverdeelde helft. In het echtscheidingsconvenant zijn partijen overeengekomen dat de woning aan [gedaagde] wordt toegedeeld onder de verplichting om de op deze woning rustende hypothecaire lening voor zijn rekening te houden en deze te voldoen als eigen schuld met uitsluiting van [eiseres] , of onder de verplichting dat hij de hypothecaire geldlening geheel aflost ter vrijwaring van [eiseres] . Partijen hebben op 25 februari 2026 opnieuw afspraken over de woning vastgelegd, nu in een proces-verbaal. In de onderhavige procedure vordert [eiseres] [gedaagde] te veroordelen om die afspraken na te komen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen grotendeels af.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 juli 2026, met vijf bijlagen;
- de mondelinge behandeling van 17 juli 2026;
- de twee ter zitting overgelegde bijlagen van [gedaagde] .
3 Het geschil
[eiseres] vordert – samengevat – om [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van de afspraken die zijn neergelegd in het proces-verbaal van 25 februari 2026 onder zaaknummer C/10/702329 / HA ZA 25-549, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[eiseres] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Partijen hebben in [jaar] in het echtscheidingsconvenant afgesproken dat (haar aandeel in) de woning uiterlijk 1 juli 2017 aan [gedaagde] zou worden geleverd. [eiseres] was genoodzaakt om een kort gedingprocedure in te stellen om [gedaagde] op dit punt in beweging te krijgen. Die zitting vond plaats op 25 februari 2026. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt. In het proces-verbaal is afgesproken dat [gedaagde] tot 25 mei 2026 de gelegenheid heeft om aan te tonen dat hij in staat is tot (her)financiering van de hypotheekschuld en betaling van de afgesproken uitkoopsom aan [eiseres] . Inmiddels is het medio juli 2026 en de woning staat nog steeds op naam van beide partijen. [gedaagde] laat niets van zich horen (over de voortgang van een (her)financiering), ondanks pogingen van [eiseres] (en haar advocaat) om van hem informatie te krijgen.
[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] . [gedaagde] voert het volgende aan. De financiering is sinds een paar dagen rond en de hypotheekakte ligt nu bij de notaris om te worden gepasseerd. Anders gezegd: [eiseres] heeft geen belang meer bij haar vorderingen.
4 De beoordeling
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorzieningen worden verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
De vorderingen worden grotendeels afgewezen
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiseres] grotendeels af.
Hoewel [eiseres] heeft gesteld en onderbouwd dat [gedaagde] de afspraken keer op keer niet nakomt en dat [eiseres] bij haar vorderingen een spoedeisend belang heeft vanwege de aard van het geschil, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een belangenafweging uitvalt in het voordeel van [gedaagde] .
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling e-mailcorrespondentie met de hypotheekverstrekkende bank (ING) van 14 juli 2026 overgelegd. Daaruit blijk dat er “goed nieuws” is, meer in het bijzonder dat de financieringsaanvraag door ING is goedgekeurd. In die e-mail wordt [gedaagde] verder verzocht de offerte digitaal te ondertekenen. [gedaagde] kon de ondertekende offerte niet ter zitting laten zien, omdat de ondertekening via zijn ING-app is gegaan, aldus [gedaagde] . Uit de e-mail van ING blijkt verder dat de ING ervoor zorgt dat na ondertekening van de offerte, de benodigde stukken naar de notaris worden gestuurd.
Verder heeft [gedaagde] laten zien dat hij, eveneens op 14 juli 2026, de notaris heeft gemaild met aanvaarding van de offerte van de notaris om de hypotheek over te sluiten.
Hoewel [gedaagde] aan [eiseres] en de voorzieningenrechter een bevestigingsmail van ING met de ondertekende hypotheekofferte niet kon laten zien en ook geen bevestiging van de notaris waaruit blijkt dat alle stukken gereed zijn voor het passeren van de leveringsakte, is de voorzieningenrechter van oordeel dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat overname van het aandeel van [eiseres] aanstaande is.
[gedaagde] heeft de termijn die hem in de vaststellingsovereenkomst geboden is overschreden en [eiseres] onvoldoende op de hoogte gehouden van de voortgang van zijn financieringsaanvraag. Op grond van de vaststellingsovereenkomst die partijen hebben gesloten, betekent dit dat de woning te koop gezet moet worden. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat strikte nakoming van de vaststellingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden, op grond van een belangenafweging, te ver voert. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het, op korte termijn, laten afronden van de overname van het aandeel van [eiseres] mede in haar belang is. [eiseres] gaf ter zitting aan daar naar uit te kijken, mede vanwege de verstandhouding met hun kinderen. Zij gaf verder aan graag door te willen met haar leven. Daarmee strookt niet de houding van (de advocaat van) [eiseres] om te persisteren bij de vorderingen die strekken tot verkoop aan een derde. Toewijzing leidt namelijk tot een heel nieuw verkoopproces, waarvan aannemelijk is dat het veel meer tijd gaat kosten dan de finalisering van de overname van het aandeel van [eiseres] . In het kader van een verkoopproces moet er immers eerst een makelaar worden aangewezen, moet de woning getaxeerd worden en moet er een verkoopproces in gang gezet worden. Partijen zijn dan bovendien afhankelijk van derden waarbij op dit moment geen enkele inschatting gemaakt kan worden van een moment van levering. In de belangenafweging betrekt de voorzieningenrechter ook het feit dat de woning ooit is gekocht door [gedaagde] en dat [eiseres] pas later mede-eigenaar is geworden.
Conclusie
De conclusie is dat de vorderingen 1 tot en met 12 worden afgewezen.
[gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten
Het uitgangspunt in zaken tussen voormalige echtgenoten, is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak echter aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. [gedaagde] heeft na het sluiten van, eerst, het convenant en vervolgens, de vaststellingsovereenkomst nauwelijks iets van zich laten horen. [eiseres] was daardoor tot twee keer toe genoodzaakt om een kort gedingprocedure aan te spannen. Zij is daardoor onnodig op, door haarzelf te financieren, kosten gejaagd. Pas na het uitbrengen van de dagvaarding in dit kort geding heeft [gedaagde] laten weten dat de financiering rond was, maar dat vervolgens niet met stukken gedocumenteerd aan [eiseres] laten zien. Ter zitting zijn pas voor het eerst stukken getoond. Dat betekent dat de vorderingen in deze procedure aanvankelijk terecht zijn ingesteld en dat [gedaagde] in die zin heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. Een en ander bij elkaar gevoegd leidt dat tot de beslissing dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
152,92 |
|
|
- griffierecht |
€ |
341,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
760,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.442,92 |
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen 1 tot en met 12 af;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.442,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart de proceskostenveroordeling in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.
4041/2009