Civiel recht overig
Kort geding. Vordering tot het verlenen van medewerking aan een beheersregeling ten aanzien van de hond…
Rechtbank Rotterdam, 2 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:9368 · Rechtbank Rotterdam · 2 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2026-9368
Zaakgegevens
Op 2 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Datum publicatie
- 30 juli 2026
- Zaaknummer
- C/10/720141 / KG ZA 26-492
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. S.A.E. van Poppel
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:9368
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. Vordering tot het verlenen van medewerking aan een beheersregeling ten aanzien van de hond. Toewijzing.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/720141 / KG ZA 26-492
Vonnis in kort geding van 2 juli 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S.A.E. van Poppel,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 juni 2026, met producties 1 tot en met 8;
- de tevoren ingediende ‘pleitnota’, feitelijk conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 14;
- de mondelinge behandeling op 18 juni 2026.
2 De feiten
Partijen hebben vanaf 2019 een affectieve relatie gehad die op 1 maart 2024 is beëindigd en hebben in dat kader samengewoond.
Partijen hebben tijdens hun relatie, op 28 december 2020, een hond van het ras Labrador gekocht, genaamd [naam hond] .
Na de beëindiging van de relatie is de man in de woning van partijen blijven wonen. De vrouw is tijdelijk in een appartement in het centrum van [plaats] gaan wonen. Partijen stemden in onderling overleg af in welke periodes [naam hond] bij de man dan wel bij de vrouw verbleef.
Op 22 februari 2026 heeft de man bij de overdracht van [naam hond] aan de vrouw aangegeven veel belang te hechten aan vaste afspraken ten aanzien van de zorg voor [naam hond] , die voor langere tijd zouden gelden.
Op 12 maart 2026 stelt de vrouw in een WhatsApp-bericht voor om vanaf dat moment als regeling aan te houden dat [naam hond] iedere laatste week van de maand bij haar verblijft, ‘even met uitzondering van juni in verband met onze vakanties’. De man reageert daar niet op, ondanks dat de vrouw diverse keren vraagt om een reactie en het voorstel nog nader uitwerkt, en dat zij vraagt om bevestiging dat de afspraak voor komende maanden vaststaat. De vrouw schrijft op 15 maart 2026: “Wanneer ga je reageren? (…) Jij wilde een vaste afspraak en stelde nota bene zelf de optie laatste week van de maand voor”. Die dag reageert de man ’s avonds met: “Probeer al twee jaar vaste afspraken te maken. Al die tijd constant meebewogen hoe het jou uitkomt. Ik heb aangegeven er klaar mee te zijn en dit is je voorstel? Ik ben er klaar mee. Ik gun [naam hond] een goed en rustig leven. (…)”. En op 17 maart 2026 schrijft de man: “Je hebt je kansen gehad. Mijn geduld is op. Als je vindt dat je recht hebt om hem te zien kun je dat middels een juridische procedure proberen. Met de uitspraak van een rechter kan ik leven.”
Op 23 maart 2026 schrijft de man in een WhatsApp-bericht aan de vrouw: “De afgelopen twee jaar heb ik aantoonbaar mijn goede wil getoond om tot een 50/50 regeling te komen voor [naam hond] . (…) Ondanks dat is het niet gelukt om tot een werkbare en structurele verdeling te komen. (…) Daarom heb ik besloten dat [naam hond] volledig bij mij blijft. (…) Dit besluit is definitief. Ik ga hierover geen verdere discussie meer voeren.”
De vrouw heeft [naam hond] sinds 22 februari 2026 niet meer gezien.
3 Het geschil
De vrouw vordert na vermeerdering van eis, samengevat, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan een voorlopige zorg- en verblijfsregeling (beheersregeling) voor [naam hond] , waarbij de vrouw twaalf dagen per maand, van woensdag tot en met zondag de week daarop, over [naam hond] kan beschikken, waarbij de overdracht plaatsvindt via een neutrale tussenpersoon;
2) de man te veroordelen om zijn volledige medewerking te verlenen op de momenten dat als hij met vakantie gaat, hij aan de vrouw aanbiedt de zorg voor [naam hond] op zich te nemen, ongeacht en eventueel in afwijking van de (nog nader te bepalen) beheersregeling, hetgeen ook voor de vrouw geldt;
3. te bepalen dat de man een dwangsom verbeurt van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat de man in strijd handelt met dit vonnis, met een maximum van
€ 10.000,00;
4. veroordeling van de man in de proceskosten.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
4 De beoordeling
Spoedeisend belang
Het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vorderingen volgt uit haar stellingen dat na jarenlange gedeelde zorg voor de hond, sprake is van abrupt en volledig contactverlies tussen haar en [naam hond] en het gemis dat dat oplevert, en dat, naarmate deze situatie langer voortduurt, het risico toeneemt dat de band tussen de vrouw en [naam hond] wordt verstoord, verwatert of verloren gaat. Een bodemprocedure zal geruime tijd in beslag nemen, zodat de vrouw belang heeft bij een onmiddellijke voorlopige voorziening.
Standpunten partijen
De vrouw legt onder meer het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Partijen zijn mede-eigenaar van [naam hond] . Tijdens de relatie droegen partijen gezamenlijk zorg voor [naam hond] . Ook na het uiteengaan van partijen was de zorg voor [naam hond] feitelijk tussen hen verdeeld. [naam hond] verbleef ongeveer 60%/70% van de tijd bij de man en ongeveer 30%/40% van de tijd bij de vrouw. De man heeft op enig moment echter eenzijdig besloten dat de vrouw geen contact meer mag hebben met [naam hond] . Sindsdien heeft hij [naam hond] niet meer aan de vrouw meegegeven, ondanks herhaalde verzoeken daartoe. Daarom vordert de vrouw – kort gezegd – dat de man wordt veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan een voorlopige zorg- en verblijfsregeling. De vrouw stelt dat zowel zij als [naam hond] een zwaarwegend belang hebben bij voortzetting van hun contact en dat zij niet inziet welk belang de man heeft bij het volledig onthouden van contact tussen haar en [naam hond] .
De man voert onder meer het volgende aan. Volgens de man droeg hij tijdens de relatie tussen partijen het grootste deel van de zorg voor [naam hond] . [naam hond] ging gemiddeld vier tot vijf keer per week mee met hem naar kantoor. Daarnaast verbleef [naam hond] op woensdagen bij zijn ouders. Volgens de man is deze feitelijke situatie na de beëindiging van de relatie voortgezet. Vanwege de medische situatie van [naam hond] (osteo-artrose) vraagt de zorg voor [naam hond] om regelmaat, aandacht en een vaste verzorger, aldus de man. De vrouw zou niet of onvoldoende, want niet 50%/50% samen met de man, in staat zijn deze zorg te bieden aan [naam hond] . Daarnaast vonden volgens de man regelmatig wijzigingen plaats in de afspraken over het ophalen/brengen van [naam hond] , waardoor de man niet wist waar hij aan toe was. De man heeft daarom besloten om [naam hond] niet langer aan de vrouw mee te geven.
Er is sprake van mede-eigendom
In dit kort geding moet worden beoordeeld of de vorderingen in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat het verantwoord is daar bij wijze van voorlopige voorziening op vooruit te lopen.
De vorderingen van de vrouw strekken er kort gezegd toe dat de man wordt veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan een voorlopige zorg- en verblijfsregeling ten aanzien van [naam hond] .
De vraag die allereerst voorligt is of voorshands voldoende aannemelijk is dat sprake is van mede-eigendom ten aanzien van [naam hond] , zoals de vrouw stelt.
In dat kader voert de vrouw aan, hetgeen zij met stukken heeft onderbouwd, dat partijen ieder de helft van de aanschafprijs van [naam hond] hebben betaald en de kosten van verzorging en onderhoud steeds gezamenlijk hebben gedragen, waarbij de chipregistratie en de ziektekostenverzekering op naam van de vrouw staan, en dat partijen de feitelijke zorg voor [naam hond] deelden. Na het einde van de relatie zijn partijen zich als mede-eigenaren blijven gedragen. Zo was de zorg voor [naam hond] ook toen feitelijk tussen partijen verdeeld, met inbegrip van het organiseren van medische zorg en betalen van die kosten vanwege (vooral) de artrose en de daarvoor benodigde (aanvankelijk tijdelijke) brace. Afwisselend verbleef [naam hond] bij de vrouw en de man, hetgeen steeds in onderling overleg per WhatsApp werd afgestemd. Zowel tijdens als na de relatie voelden beide partijen zich verantwoordelijk voor [naam hond] en hadden zij een hechte band met hem.
De man heeft geen van deze stellingen weersproken. De man verklaarde ter zitting dat hij na het uiteengaan van partijen wel de wens had om enig eigenaar van [naam hond] te worden en zulks had voorgesteld aan de vrouw, maar deelde ook mee dat de vrouw daarmee nooit had ingestemd. De man noch de vrouw heeft verdeling van [naam hond] en toedeling van [naam hond] aan hem of haar gevorderd in een bodemzaak.
Gelet op het voorgaande is in dit kort geding voorshands voldoende aannemelijk dat sprake is van mede-eigendom ten aanzien van [naam hond] . De mede-eigendom is dus het uitgangspunt.
De man heeft [naam hond] ten onrechte weggehouden bij de vrouw
Mede-eigendom brengt mee dat beide partijen in beginsel gerechtigd zijn om over [naam hond] te beschikken en zorg voor hem te dragen.
Nu de man weigert om [naam hond] af te geven aan de vrouw, ligt de vraag voor of hij daartoe voldoende grond heeft. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat dit niet het geval is, gelet op het navolgende.
Uit de door de vrouw in het geding gebrachte WhatsApp-correspondentie tussen partijen volgt dat partijen vanaf hun uiteengaan steeds op normale en ook respectvolle manier overleg hebben gevoerd over de zorg voor en omgang met [naam hond] . Het blijkt dat de vrouw op 12 maart 2026 aan de man voorstelde om [naam hond] vanaf dat moment iedere laatste week van de maand bij zich te houden, waarmee zij tegemoet kwam aan de daarvoor geuite wens van de man vaste afspraken te maken en (zoals zij meedeelde per WhatsApp en de man niet weersprak) zelfs aan zijn eigen voorstel. De man heeft daarop meerdere dagen niet gereageerd. Vervolgens geeft de man op 23 maart 2026 te kennen, zonder dat uit de berichten blijkt wat daarvoor de aanleiding was, dat hij heeft besloten dat hij [naam hond] niet langer meegeeft aan de vrouw. Sindsdien heeft de man [naam hond] bij zich gehouden en niet meer aan de vrouw afgegeven, ondanks de verzoeken daartoe van de vrouw.
De man heeft geen, althans onvoldoende, feiten of omstandigheden aangevoerd die zijn handelwijze rechtvaardigen. Integendeel zijn de beweegredenen voor zijn handelwijze inzichtelijk noch invoelbaar geworden.
Als voornaamste reden voor zijn handelwijze voert de man aan dat hij van meet af aan een 50%/50% verdeling van de zorg voor [naam hond] had gewild, maar dat de vrouw dat steeds, ook na twee jaar, nog niet kon bieden.
Deze stelling valt echter niet te rijmen met de verklaring van de man dat hij juist enig eigenaar van [naam hond] wenste te worden, en dat hij dat ook had voorgesteld aan de vrouw, die daar niet mee akkoord was gegaan.
Ook heeft de man ter zitting, daarnaar gevraagd, niet kunnen uitleggen waarom het voor [naam hond] noodzakelijk of gerechtvaardigd zou zijn te eisen dat beide mede-eigenaars ieder exact de helft van de tijd de zorg dragen, en waarom een regeling met een 60%/40% of 70%/30% verdeling niet net zo goed zou kunnen en niet net zo goed in het belang van [naam hond] zou kunnen zijn.
De vrouw heeft ter zitting toegelicht dat zij in de periode volgend op het uiteengaan van partijen, meer dan 50% van de tijd de zorg voor [naam hond] overliet aan de man vanwege haar tijdelijke, voor [naam hond] minder fijne woonsituatie in een klein appartement op de vierde verdieping (zonder lift) in het centrum van [plaats] en vanwege haar werk van destijds. Zij stelde daarmee het belang van [naam hond] voorop.
Het betreft omstandigheden waarvan de man op de hoogte was, zoals hij erkende op zitting, en waarvan beide partijen wisten dat als ze zouden zijn verbeterd, de vrouw eraan hechtte dat zij weer meer zorg zou gaan dragen over [naam hond] .
De man deelde op zitting (en per WhatsApp aan de vrouw) mee dat na twee jaar (na het uiteengaan) de vrouw toch wel eens had moeten voldoen aan zijn 50%/50% wens. Maar hij had niet eerder tegenover de vrouw meegedeeld die tweejaarstermijn te hanteren.
Verder heeft de man als rechtvaardiging voor zijn handelwijze aangevoerd dat het overleg over de omgang van [naam hond] met de vrouw moeizaam verliep, omdat sprake zou zijn geweest van veel wisselingen in de afspraken. Zo zou de vrouw afspraken over het ophalen en terugbrengen van [naam hond] regelmatig hebben gewijzigd, waardoor de man steeds niet wist waar hij aan toe was. De man vertelde op zitting dat hij hierin steeds is meegegaan met de vrouw en dat uit de WhatsApp conversaties dus niet blijkt dat dat eigenlijk tegen zijn zin was, maar dat op enig moment de maat vol was voor hem.
De vrouw betwist dat zij onbetrouwbaar was in de nakoming van gemaakte afspraken, of wisselingen daarin aanbracht en dat de man aldus door haar niet wist waar hij aan toe was. Uit de WhatsApp-correspondentie blijkt dit (zoals de man al erkende) ook niet. Integendeel, daaruit volgt juist dat de vrouw zich verantwoordelijk opstelt ten aanzien van de tussen partijen gemaakte afspraken en zich ook attent opstelt tegenover de man. Ter zitting deelde de vrouw hieromtrent mee dat de man aanvankelijk zelf [naam hond] ook haalde of bracht, maar daar op enig moment zonder opgaaf van reden mee was gestopt, en dat zij toen het halen en brengen geheel voor haar rekening had genomen zonder daarover een discussie met de man aan te gaan. De man heeft dit niet weersproken. De onbetrouwbaarheid in het nakomen van afspraken blijkt dus in deze procedure van de kant van de man uit te gaan: voor wat betreft het halen en brengen, en naderhand vanwege het plotseling stopzetten van de regeling.
De man voert voorts het belang van de hond aan, want hij stelt dat hij (samen met zijn ouders) volledig in staat en beschikbaar is om 100% van de zorg over [naam hond] te bieden, en dat dat, ook gelet op [naam hond] ’s medische situatie, in [naam hond] ’s belang is. De huidige stabiele woon- en verzorgingssituatie bij de man moet volgens de man worden voortgezet. De man stelt dat de vrouw niet diezelfde regelmaat en aandacht kan bieden en dat [naam hond] behoefte heeft aan een vaste verzorger die hij goed kent.
Deze stelling is door de man niet onderbouwd en is weersproken door de vrouw. Dat rust en regelmaat en één baas (plus diens ouders) vereisten zouden zijn in het belang van [naam hond] , zou tenminste enige hondengedragsdeskundige onderbouwing vergen. Die is door de man niet in het geding gebracht. Wat wel vast staat is dat [naam hond] altijd twee bazen heeft gehad die de zorg deelden, en dat daarnaast opvang door de ouders van de man werd gegeven (met regelmaat, namelijk één dag per week) zowel als opvang door de moeder van de vrouw (onregelmatig). Gesteld noch gebleken is dat [naam hond] (daardoor) gedragsproblemen had of heeft, of daardoor de artrose heeft opgelopen of dat de artrose daardoor is verergerd.
De vrouw heeft ter zitting toegelicht dat haar situatie op dit moment gelukkig veel gunstiger is (voor haar en [naam hond] ) dan voorheen, en dat zij de door haar gevorderde regeling (12 van de 30 dagen per maand) zeker zal kunnen waarmaken, omdat zij nu in een nieuwe woning woont die geschikt is voor [naam hond] (op de eerste verdieping en met een werkende lift), zij sinds oktober 2025 een nieuwe baan heeft met thuiswerkdagen en voldoende flexibiliteit om die thuiswerkdagen te kunnen inzetten als dat voor de zorg voor [naam hond] van pas komt, en inmiddels steeds en ook met regelmaat zal kunnen terugvallen op haar netwerk, waaronder haar moeder, omdat haar moeder nu met pensioen is en alle tijd heeft. Indien de vrouw dus een keer vanwege (werk)verplichtingen niet bij [naam hond] kan zijn en niet voor hem kan zorgen, kan haar moeder inspringen.
De moeder van de vrouw heeft dit ter zitting bevestigd en verklaarde dat zij in een groene en diervriendelijke omgeving woont, en dat zij en [naam hond] heel vertrouwd met elkaar zijn.
Ook een vriendin van de vrouw (eveneens op zitting) is bereid en in staat indien nodig in te springen. Deze vriendin deelde mee zelf een hond te hebben en dat beide honden altijd graag en veel samen waren.
De vrouw heeft verder toegelicht dat zij, anders dan de man aanvoert, zowel tijdens de relatie als daarna wel degelijk veel tijd doorbracht met [naam hond] , met name op haar thuiswerkdagen, en dat zij bijvoorbeeld ook de puppycursus en gedragstrainingen met [naam hond] heeft gedaan. Zij heeft daardoor een hechte band met [naam hond] opgebouwd. [naam hond] reageert altijd erg blij als hij haar ziet, en zij en [naam hond] zijn dol op elkaar, aldus de vrouw. Een en ander heeft de man ter zitting niet (meer) weersproken.
Voorts is komen vast te staan dat de vrouw het osteo-artroseprobleem vroegtijdig onderkende, initiatief nam tot dierenartsbezoeken en behandelingen zoals injecties, een gespecialiseerde dierenorthopeed heeft geraadpleegd en op het aanmeten van een brace heeft aangestuurd waarvan zij de kosten heeft betaald/voorgeschoten.
De conclusie uit het voorgaande is dat er geen enkele reden is eraan te twijfelen dat [naam hond] ook bij de vrouw in goede handen is, dat de vrouw verantwoordelijkheid neemt voor de medische situatie van [naam hond] en dat de vrouw (net als de man) een hechte band met [naam hond] heeft opgebouwd en dat de vrouw (net als de man) een stabiele woon- en verzorgingssituatie kan bieden aan [naam hond] , zodat het belang van [naam hond] als rechtvaardiging van de handelwijze van de man niet opgaat.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de man ten onrechte [naam hond] na 22 februari 2026 heeft weggehouden bij de vrouw.
Vordering 1 wordt toegewezen
Ten aanzien van vordering 1 heeft de vrouw ter zitting aangegeven dat de gevorderde zorg- en verblijfsregeling ziet op de laatste twaalf dagen van iedere maand. Deze regeling komt nagenoeg overeen met het voorstel dat de vrouw op 12 maart 2026 aan de man heeft gedaan maar betreft 12 in plaats van 7 dagen per maand. De man heeft ter zitting niet kunnen uitleggen waarom hij niet met een dergelijke regeling kan instemmen terwijl deze regeling nagenoeg tegemoet komt aan hetgeen de man naar eigen zeggen voor ogen had, namelijk een 50%/50% verdeling op vaste dagen zodat hij weet waar hij aan toe is.
Rekening houdend met hetgeen daaromtrent door beide partijen op zitting aan feiten en omstandigheden en praktische wensen naar voren is gebracht indien een voorlopige zorg- en verblijfsregeling wordt vastgesteld, wordt vordering 1 als volgt toegewezen. De man wordt veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan een voorlopige zorg- en verblijfsregeling voor [naam hond] , waarbij de vrouw de laatste twaalf dagen van iedere maand, van woensdagavond 20:00 uur tot en met zondagavond 20:00 uur van de daarop volgende week, over [naam hond] kan beschikken. Partijen zijn het erover eens dat overdracht van [naam hond] door een neutrale tussenpersoon niet in het belang van [naam hond] is. De vrouw heeft, in tegenstelling tot de man, toegezegd [naam hond] zowel te willen ophalen als terugbrengen bij de man. De vrouw zal aldus zorgdragen voor de overdracht van [naam hond] , zowel op woensdagavond als op zondagavond.
Vordering 2 wordt toegewezen
De voorzieningenrechter heeft partijen ter zitting in overweging gegeven om met elkaar af te spreken dat zij ieder de ander als eerste zullen benaderen voor de zorg voor [naam hond] in het geval van vakantie. Maar ook aan het maken van een dergelijke afspraak wilde de man, anders dan de vrouw, ter zitting niet meewerken. Omdat de voorzieningenrechter niet gebleken is van enig gerechtvaardigd belang van de man om met zo’n regeling niet in te stemmen, wordt ook vordering 2 toegewezen.
Als prikkel tot nakoming worden aan de veroordelingen dwangsommen verbonden. Dat wil zeggen dat de man wordt veroordeeld (de voorzieningenrechter kan, anders dan is gevorderd, in kort geding niet één en ander bepalen) tot betaling van een dwangsom van € 250,00 per dag dat hij niet aan de veroordelingen voldoet, met een maximum van
€ 10.000,00.
Proceskosten
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat proceskosten tussen ex-partners worden gecompenseerd, gelet op het volgende. De voorzieningenrechter heeft de man ter zitting meermaals gevraagd feiten en omstandigheden uiteen te zetten, ook als het om emotionele feiten en omstandigheden zou gaan, waarom hij het in beginsel onrechtmatige besluit heeft genomen om [naam hond] bij de vrouw weg te houden en de onderlinge communicatie over de gedeelde zorg stop te zetten. De man kon hier geen opheldering over geven behalve dat hij in zijn communicatie met de vrouw, in zijn beleving, teveel tegemoet is gekomen aan de vrouw voor wat betreft de gedeelde zorg voor [naam hond] . Maar ex-partners moeten zich met inachtneming van de eisen van redelijkheid en billijkheid tegenover elkaar (blijven) gedragen, in het bijzonder als zij samen de verantwoordelijkheid over een hond (en/of kinderen) hebben. De man heeft dat niet gedaan door te handelen zoals beschreven, en heeft de vrouw met die handelwijze bewust geforceerd om dit kort geding aanhangig te maken. De man moet daarom de proceskosten van de vrouw betalen.
De proceskosten van de vrouw worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,02 |
|
|
- griffierecht |
€ |
341,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.860,02 |
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen aan een voorlopige zorg- en verblijfsregeling (beheersregeling) voor [naam hond] , waarbij de vrouw de laatste twaalf dagen van iedere maand, van woensdagavond 20:00 uur tot en met zondagavond 20:00 uur van de daarop volgende week, over [naam hond] kan beschikken, waarbij de vrouw zorgdraagt voor de overdracht van [naam hond] op zowel de woensdagavond als de zondagavond. De vrouw dient zo spoedig mogelijk aan de man aan te geven wat zij ziet als die laatste twaalf dagen van iedere maand, nu deze twaalf dagen eindigen met een zondag maar het einde van een maand zeker niet steeds op een zondag zal vallen. Die duidelijkheid dient de vrouw zo vroeg mogelijk en over een zo lang mogelijke periode (bijvoorbeeld een half jaar van tevoren) te geven;
veroordeelt de man om, indien hij met vakantie gaat, de vrouw in een zo vroeg mogelijk stadium in de gelegenheid te stellen de zorg voor [naam hond] op zich te nemen, ongeacht en eventueel in afwijking van de voorlopige zorg- en verblijfsregeling (beheersregeling), hetgeen vice versa ook voor de vrouw geldt;
de veroordelingen onder 5.1 en 5.2 moet de man nakomen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man na betekening van dit vonnis niet voldoet aan de veroordelingen onder 5.1 en 5.2, met een maximum van € 10.000,00;
veroordeelt de man in de proceskosten van € 1.860,02, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
[3894/638]