Civiel recht overig

Kort geding. Vordering tot meewerken aan benoemen eiseres als bestuurder en nakoming afspraken over…

Rechtbank Rotterdam, 15 juli 2026

Zaakgegevens

Op 15 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
15 juli 2026
Datum publicatie
4 augustus 2026
Zaaknummer
C/10/720978 / KG ZA 26-550
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. J.F van Duin, mr. D. Berlijn
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9579
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Vordering tot meewerken aan benoemen eiseres als bestuurder en nakoming afspraken over financiering. Afwijzing. Eiseres is verplichtingen op grond van 21 Rv niet nagekomen door niet alle gegevens en informatie te overleggen waarover zij redelijkerwijs kon beschikken en waarvan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs voorzien was dat dat die relevant was voor beoordeling van het geschil. Eiseres heeft onvoldoende spoedeisend belang bij vorderingen. Er is niet gebleken van wanbestuur bij de vennootschap of financiële noodsituatie. Gevorderde nakoming van financieringsafspraken zou niet tot andere financiële positie van de vennootschap leiden.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/720978 / KG ZA 26-550

Vonnis in kort geding van 15 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

advocaat: mr. J.F. van Duin,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [gedaagde 2] .,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partijen,

advocaat: mr. D. Berlijn.

Partijen worden hierna genoemd [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tezamen worden hierna genoemd [gedaagde 1] c.s.

1 De zaak in het kort

1.1.

Partijen exploiteren samen een Délifrance vestiging. [gedaagde 1] is op dit moment de enige bestuurder van de werkmaatschappij. [eiser] wil ook benoemd worden tot bestuurder, om meer zeggenschap te krijgen in het bedrijf. [eiser] wil daarnaast dat [gedaagde 1] c.s. geld uit eigen middelen aan het bedrijf leent. Volgens [eiser] hadden partijen dat afgesproken en houdt [gedaagde 1] c.s. zich niet aan de afspraken door een door Rabobank verstrekte lening niet zelf, maar op naam van het bedrijf te hebben afgesloten. [eiser] vordert daarom dat [gedaagde 1] c.s. worden veroordeeld om mee te werken aan zijn benoeming als bestuurder en om geld uit eigen middelen te lenen aan de vennootschap. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 juni 2026 met producties 1 tot en met 4;
- de overgelegde producties 1 tot en met 9 van [gedaagde 1] c.s.;

- de akte wijziging eis van [eiser] ;
- de mondelinge behandeling van 1 juli 2026;
- de pleitnotities van [eiser] ;
- de pleitnotities van [gedaagde 1] c.s.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn begin 2024 in overleg getreden over de exploitatie van een franchisevestiging van Délifrance. Hiertoe hebben zij op 23 februari 2024 Délifrance Ridderkerk B.V. (hierna: de vennootschap) opgericht. [gedaagde 1] is bij de oprichting bestuurder van de vennootschap geworden. [eiser] bezit 50% van de aandelen van de vennootschap. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bezitten beiden 25% van de aandelen van de vennootschap. [gedaagde 1] c.s. hebben de dagelijkse leiding over de (activiteiten van) de vennootschap.

3.2.

Partijen hebben afgesproken kapitaal in te brengen voor de opstart van de activiteiten van de vennootschap. [gedaagde 1] c.s. hebben gepoogd om financiering te verkrijgen bij de Rabobank op eigen naam. Dat is niet gelukt. De Rabobank was wel bereid om financiering te verstrekken aan de vennootschap en heeft € 350.000,- aan de vennootschap geleend tegen 7,95% rente. [eiser] heeft vervolgens ook € 350.000,- tegen 7,95% rente geleend aan de vennootschap. Zowel [eiser] als [gedaagde 1] c.s. hebben in 2025 een aanvullend bedrag van € 45.000,- aan de vennootschap geleend.

3.3.

Partijen hebben sinds medio 2024 een geschil over de inhoud en voorwaarden van de samenwerking, onder meer over de vraag of [eiser] als bestuurder benoemd moet worden en of de financiering zoals die is verstrekt door Rabobank in overeenstemming is met de door partijen gemaakte afspraken.

4 Het geschil

4.1.

[eiser] vordert - samengevat – na wijziging van eis dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar verklaard vonnis:

1. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt om medewerking te verlenen aan de benoeming van [eiser] als bestuurder van de vennootschap;

2. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt om uit eigen middelen een bedrag van € 350.000,- als lening ter beschikking te stellen aan de vennootschap;

3. bepaalt – zo begrijpt de voorzieningenrechter – dat [eiser] binnen 4 weken na dit vonnis en in geval van toewijzing van de vorderingen onder 1 en 2 een bodemprocedure aanhangig dient te maken, bij gebreke waarvan de onder 1 en 2 gevorderde veroordelingen komen te vervallen;

4. [gedaagde 1] c.s. veroordeelt in de kosten van deze procedure.

4.2.

[gedaagde 1] c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

5 De beoordeling

Toetsingskader kort geding

5.1.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

Schending 21 Rv

5.2.

Het is de voorzieningenrechter gebleken dat [eiser] in de dagvaarding een beperkte en onvolledige weergave van de feiten en omstandigheden heeft gegeven met betrekking tot het geschil tussen partijen. [eiser] heeft ook relevante stukken niet overgelegd, terwijl ter zitting is gebleken dat (de advocaat van) [eiser] daarover al beschikte ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding. Artikel 21 Rv brengt met zich dat van een partij mag worden verwacht dat zij gegevens en informatie overlegt waarover zij in de voorfase van een procedure redelijkerwijs kan beschikken en waarvan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs voorzienbaar is dat deze informatie relevant is voor de beoordeling van het geschil. Dat heeft [eiser] niet gedaan. Deze schending van artikel 21 Rv door [eiser] heeft in dit geval gevolgen voor de waardering van zijn stellingen in deze procedure.

Geen spoedeisend belang bij vorderingen

5.3.

[eiser] voert aan dat zijn spoedeisend belang volgt uit de omstandigheid dat de vennootschap in financieel zwaar weer verkeert en dat [eiser] telkens aanvullende financiële middelen ter beschikking moet stellen. De vennootschap zou haar lopende verplichtingen niet, althans telkens te laat voldoen. [gedaagde 1] heeft onvoldoende ervaring als bestuurder om de vennootschap te leiden en zij brengt het voortbestaan van de vennootschap in gevaar, waaruit eveneens het spoedeisend belang volgt. De inbreng van financiering door [gedaagde 1] c.s. is op korte termijn noodzakelijk om de financiering van Rabobank af te lossen, aldus [eiser] .
[gedaagde 1] c.s. heeft weersproken dat de vennootschap financiële problemen heeft. Zij wijst erop de aflossing en rente voor de leningen van [eiser] en Rabobank altijd tijdig zijn voldaan en dat andere kosten ook (en over het algemeen tijdig) worden voldaan. Er is geen sprake van disfunctioneren van [gedaagde 1] als bestuurder, aldus [gedaagde 1] c.s.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] geen, althans onvoldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Daarvoor is het volgende redengevend.

De vordering om mee te werken aan de benoeming van [eiser] als bestuurder
5.4. Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat de vennootschap financiële problemen heeft. [eiser] voert aan dat hij telkens aanvullende financiële middelen ter beschikking dient te stellen zodat de vennootschap aan haar lopende verplichtingen kan voldoen, maar dat is niet aannemelijk geworden. [eiser] heeft weliswaar € 45.000,- aanvullende financiering ter beschikking gesteld in 2025, maar ook [gedaagde 1] c.s. hebben eenzelfde bedrag gestort. Van andere bijdragen door [eiser] of [gedaagde 1] c.s. is niet gebleken, noch is aannemelijk geworden dat de vennootschap telkens externe financiering moet aantrekken om de activiteiten voort te kunnen zetten.
Het is ook onvoldoende aannemelijk dat de vennootschap structureel niet tijdig voldoet aan haar betalingsverplichtingen. Aangezien [eiser] (onweersproken) toegang heeft tot de bankrekening en overige financiële gegevens van de vennootschap had het op de weg van [eiser] gelegen om dit standpunt te voorzien van een concrete onderbouwing.
Verder is niet gebleken van een financiële noodsituatie, bijvoorbeeld in die zin dat nu moet worden ingegrepen omdat ander op korte termijn het faillissement van de vennootschap onafwendbaar zou zijn.
[eiser] heeft gelet op het voorgaande geen spoedeisend belang bij zijn benoeming tot bestuurder. Dat geldt temeer omdat [eiser] in het midden heeft gelaten hoe zijn benoeming tot bestuurder de volgens hem bestaande financiële problemen zou kunnen oplossen.

5.5.

Het spoedeisend belang volgt ook niet uit wat [eiser] aanvoert over de wijze waarop [gedaagde 1] haar taak als bestuurder zou uitvoeren. Het is niet aannemelijk geworden dat [gedaagde 1] deze taak op een ondeugdelijke wijze uitvoert of de vennootschap met het door haar gevoerde beleid benadeelt, aangezien concrete voorbeelden of verwijten op dit punt ontbreken.

5.6.

Gelet op het voorgaande wordt de vordering onder 1 afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

De vordering om (eigen) financiering te verschaffen

5.7.

Wat is overwogen ten aanzien van het spoedeisend belang onder 5.4. en 5.5. geldt ook ten aanzien van deze vordering. De enkele omstandigheid dat [eiser] nakoming vordert van volgens hem tussen partijen gemaakte afspraken levert op zichzelf genomen geen spoedeisend belang op. [eiser] voert aan dat na de verstrekking van deze eigen financiering de lening bij Rabobank afgelost kan worden, maar het is niet gebleken wat de noodzaak voor een dergelijke aflossing is. De financiële situatie van de vennootschap zou niet veranderen wanneer de verschuldigde rente en aflossing niet aan Rabobank, maar aan [gedaagde 1] c.s. zou worden betaald. Aangezien niet is gebleken van financiële problemen bij de vennootschap is een eventueel verhaalsrisico bij de vennootschap vanwege het door Rabobank gevestigde pandrecht (vooralsnog) niet aan de orde. Er is daarom geen sprake van een spoedeisend belang bij deze vordering, zodat deze wordt afgewezen.

Voorwaarde voor vordering 3 niet vervuld

5.8.

De vordering onder 3 wordt niet behandeld, nu de daarin gestelde voorwaarde niet is vervuld.

Proceskosten

5.9.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] c.s. worden begroot op:

- griffierecht

€

735,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.101,00

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

6.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

[4049 / 1729]