Insolventierecht
Verzoek rehabilitatie. Uit de enkele nakoming van het akkoord valt niet af te leiden dat iedere erkende…
Rechtbank Rotterdam, 21 februari 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:1792 · Rechtbank Rotterdam · 21 februari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/beschikking/ecli-nl-rbrot-2020-1792
Zaakgegevens
Op 21 februari 2020 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 21 februari 2020
- Datum publicatie
- 2 maart 2020
- Zaaknummer
- 542380 FT EA 18.16
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. G.C. Haulussy
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2020:1792
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek rehabilitatie. Uit de enkele nakoming van het akkoord valt niet af te leiden dat iedere erkende schuldeiser tot zijn genoegen is voldaan.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
Insolventienummer: [nummer]
Uitspraak: 21 februari 2020
BESCHIKKING op het verzoek strekkende tot rehabilitatie van:
[verzoeker] ,
[adres verzoeker]
[woonplaats verzoeker] ,
verzoeker
advocaat: mr. G.C. Haulussy
1 De procedure
Op 6 februari 2020 heeft verzoeker een verzoekschrift ingediend strekkende tot rehabilitatie als bedoeld in art. 206 van de Failissementswet (Fw).
2 De uitgangspunten
Verzoeker is bij vonnis van deze rechtbank van 23 januari 2018 in staat van faillissement verklaard.
In dit faillissement is op 17 september 2019 een verificatievergadering gehouden, alwaar de stemming heeft plaatsgevonden van een aan de schuldeisers aangeboden akkoord. De rechter-commissaris heeft in deze verificatievergadering vastgesteld dat 15 van de 15 verschenen concurrente schuldeisers voor het akkoord hebben gestemd zodat het akkoord is aangenomen.
Bij vonnis van 1 oktober 2019 is het aangenomen akkoord gehomologeerd. Het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.
3 Het verzoek en de gronden waarop het berust
Verzoeker meent, kort gezegd, voor rehabilitatie in aanmerking te komen, omdat het faillissement is geëindigd door de homologatie van een akkoord en de schuldeisers op basis van dit akkoord zijn uitbetaald. Op grond van artikel 207 Fw is verzoeker ontvankelijk gelet op het feit dat alle erkende schuldeisers tot hun genoegen zijn voldaan. Ter onderbouwing legt verzoeker een verklaring d.d. 28 oktober 2019 over van mr. A.F. Ammerlaan, voormalig curator in het faillissement.
4 De beoordeling
Ter beoordeling ligt voor de vraag of verzoeker in zijn verzoek kan worden ontvangen. Hiertoe is vereist dat bij het verzoekschrift het bewijs is gevoegd dat alle erkende schuldeisers "ten genoegen hunner" zijn voldaan (artikel 207 Fw). Hoewel dit niet inhoudt dat deze schuldeisers volledig moeten zijn voldaan, is het niet -zonder meer- voldoende dat zij slechts overeenkomstig het akkoord betaald hebben gekregen. Het akkoord heeft namelijk niet de strekking dat de erkende schuldvorderingen te niet gaan, maar onthoudt slechts de afdwingbaarheid aan deze vorderingen, voor zover ze na de uitvoering van het akkoord onvoldaan zijn gebleven. Uit de enkele nakoming van het akkoord valt dus niet af te leiden dat iedere erkende schuldeiser tot zijn genoegen is voldaan. Het bericht van de curator van 28 oktober 2019 is in dit kader ook niet voldoende nu daaruit niet volgt dat de schuldeisers “ten genoegen hunner” zijn voldaan in de hiervoor bedoelde zin. Nu overigens geen bescheiden zijn overgelegd waaruit blijkt dat de erkende schuldeisers tot hun genoegen zijn voldaan (zoals bijvoorbeeld een verklaring van die strekking van (elk van de) erkende schuldeisers), is verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
5 De beslissing
De rechtbank,
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gegeven op 21 februari 2020 door mr. F. Damsteegt-Molier, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J.P. van Wieringen, griffier.