Insolventierecht
Faillissementsaanvraag afgewezen; de casus is te complex voor een faillissementsprocedure en hoort in een…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10033 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/insolventierecht/beschikking/ecli-nl-rbzwb-2026-10033
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/452403 FT RK 26/337
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J.P.M. Dexters, mr. C.M. van den Reek
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10033
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Faillissementsaanvraag afgewezen; de casus is te complex voor een faillissementsprocedure en hoort in een bodemprocedure thuis.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster III Insolventie en kanton beheerszaken
Breda
afwijzing faillissementsverzoek
zaaknummer: C/02/452403 FT RK 26/337
uitspraakdatum: 6 oktober 2026
inzake
1 [verzoekster 1] N.V. (naar Belgisch recht);
2. [verzoekster 2] N.V. (naar Belgisch recht);
3. [verzoekster 3] B.V.,
verzoeksters,
advocaat: mr. J.P.M. Dexters,
t e g e n
[verweerster] B.V.,
verweerster,
advocaat: mr. C.M. van den Reek.
1 Het verloop van de procedure
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift ingekomen op 17 september 2026;
- het verweerschrift ingekomen op 5 oktober 2026;
- het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 6 oktober 2026.
Namens verzoeksters waren bij de behandeling aanwezig de heer [persoon 1] , directeur van [verzoekster 1] N.V. en [verzoekster 2] N.V., en de heer [persoon 2] , directeur van [verzoekster 3] B.V., bijgestaan door hun raadsman mr. Dexters. Namens verweerster waren aanwezig de heer [persoon 3] , directeur, bijgestaan door mr. C.M. van den Reek, en de heer [persoon 4] (zoon van de heer [persoon 3] ) als toehoorder.
2 Het geschil
Het verzoek strekt ertoe [verweerster] B.V. in staat van faillissement te verklaren.
3 De beoordeling
[verzoekster 1] N.V. heeft aangevoerd dat zij op [verweerster] B.V. een opeisbare vordering heeft van € 72.396,29, waarvan € 65.418,81 aan hoofdsom, uit hoofde van twee onbetaalde facturen, te vermeerderen met rente en kosten. [verzoekster 2] N.V. heeft aangevoerd dat [verweerster] B.V. de voorraad niet aan haar heeft teruggegeven, terwijl dat wel had gemoeten na ontbinding van het partnercontract op 26 augustus 2026. [verzoekster 3] B.V. heeft aangevoerd dat zij van [verweerster] B.V. een bedrag van € 23.958,-- te vorderen heeft wegens verrichte engineerwerkzaamheden, te vermeerderen met een aanvullende vordering van € 998,25 uit hoofde van een factuur.
[verweerster] B.V. heeft dit gemotiveerd betwist door aan te voeren dat de vordering van [verzoekster 1] B.V. kan worden verrekend, dat [verzoekster 2] N.V. geen geldvordering heeft maar alleen een contractuele verplichting die nu nog niet opeisbaar is, omdat de voorraad op dit moment nog niet hoeft te worden afgegeven, en dat de vordering van [verzoekster 3] van € 998,25 al is betaald, evenals het erkende deel van de vordering van
€ 23.958,00. Het betwiste deel van die laatste vordering staat gereserveerd op de derdengeldrekening van haar advocaat, aldus [verweerster] B.V..
Op grond van artikel 6, derde lid, Fw, wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden, welke aantonen dat de schuldenaar verkeert in een toestand van opgehouden hebben te betalen als bedoeld in art. 1 Fw en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Het bestaan van schulden aan meer dan één schuldeiser is daarvoor een noodzakelijke, zij het niet voldoende voorwaarde.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [verzoekster 3] B.V. voldoende gemotiveerd is betwist, zodat het bestaan van deze vordering niet summierlijk is vast te stellen.
Datzelfde geldt voor de vorderingen van [verzoekster 1] N.V. en [verzoekster 2] N.V. De rechtbank overweegt in dit verband dat – blijkens de stukken – een meeromvattend juridisch geschil lijkt te bestaan tussen [verzoekster 1] N.V. en [verzoekster 2] N.V. enerzijds en [verweerster] B.V. anderzijds, welk geschil zich niet leent voor een behandeling en beslechting in de onderhavige faillissementsprocedure. Dat geldt te meer, nu voldoende aannemelijk is gemaakt dat het geschil – in elk geval op onderdelen – al voorligt aan de Belgische rechter.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring afwijzen.
4 De beslissing
De Rechtbank:
wijst het verzoek tot faillietverklaring van [verweerster] B.V. af.
Deze beschikking is gewezen door mr. Leppens en uitgesproken op 6 oktober 2026, in tegenwoordigheid van Snellen als griffier.