Insolventierecht

Toelating WSNP, verzoek toegewezen met hardheidsclausule.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 5 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
5 oktober 2026
Datum publicatie
20 oktober 2026
Zaaknummer
R.02/26/1200
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10170
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Toelating WSNP, verzoek toegewezen met hardheidsclausule.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Team Insolventie

Zittingsplaats Breda

Rekestnummer: NL:TZ:2616573:R-RK

Vonnis van maandag 5 oktober 2026

op het verzoek van

[verzoeker] ,

voorheen handelend onder de naam [bedrijf] ,

geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] ,

verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,

tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Samenvatting

[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

De rechtbank wijst het verzoek toe.

1 De procedure

1.1.

De procedure bestaat uit:

- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;

- de zitting van maandag 5 oktober 2026, waarbij aanwezig was:

- [verzoeker] .

1.2.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 Het verzoek

2.1.

[verzoeker] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Volgens [verzoeker] heeft hij een schuldenlast die hij niet zelf kan aflossen.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 van de herziene verordening (VERORDENING (EU) 2015/848 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD) bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.

3.2.

De rechtbank wijst het verzoek toe. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoeker] heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet (Fw). Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken. De rechtbank overweegt daarbij dat voor zover er schulden zijn die jonger zijn dan 3 jaar en die niet te goeder trouw zijn ontstaan (de belastingschulden), toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule aan de orde is, nu [verzoeker] de rechtbank ervan heeft te weten overtuigen dat hij een persoonlijke ontwikkeling en een gedragsverandering heeft ingezet.

3.3.

De rechtbank ziet geen aanleiding om - gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913) - het aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling ex artikel 349a Fw te vervroegen.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats],
wonende te [woonadres] ;

4.2.

stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op de achttien maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;

4.3.

benoemt tot rechter-commissaris mr. I.C. de Kwant;

4.4.

benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder] , [adres] ;

4.5.

geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoeker] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden;

4.6.

bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag opnemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is;

4.7.

stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen.

Dit is de beslissing van mr. Leppens, rechter, in samenwerking met Buijs-van Domburg, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op maandag 5 oktober 2026.