Insolventierecht

Verzoek WSNP toegewezen. Verzoekster is ontvankelijk in haar verzoek. Er is een eerdere ingangsdatum bepaald.

Rechtbank Rotterdam, 29 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
29 oktober 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2616926:R-RK
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:15026
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek WSNP toegewezen. Verzoekster is ontvankelijk in haar verzoek. Er is een eerdere ingangsdatum bepaald.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Rekestnummer: NL:TZ:2616926:R-RK

vonnis van 29 oktober 2026

op het verzoek van

[verzoekster] ,

wonende te [adres] ,

[postcode] [plaats] .

Waar deze zaak over gaat

[verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).

Dit verzoek wordt toegewezen.

Daarnaast verzoekt [verzoekster] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 20 januari 2026. Dit verzoek wordt gedeeltelijk toegewezen.

De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1 De procedure

1.1.

[verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.

1.2.

De beschermingsbewindvoerder heeft voorafgaand aan de zitting op 23 september 2026, 20 en 21 oktober 2026 de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.

1.3.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 22 oktober 2026. Op de zitting zijn verschenen:

- [verzoekster] ,

- de heer N.A. Belo, beschermingsbewindvoerder.

1.4.

De beschermingsbewindvoerder heeft na de zitting op 22 oktober 2026 de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.

2 De beoordeling

Ontvankelijkheid

2.1.

Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet [verzoekster] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.

2.2.

Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens [verzoekster] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat [verzoekster] eerder een Wsnp-verzoek heeft ingediend. Dit Wsnp-verzoek is bij vonnis van 19 januari 2026 afgewezen. Door [verzoekster] is opnieuw een Wsnp-verzoek ingediend zonder een minnelijk traject te doorlopen. [verzoekster] heeft hoge schulden aan de Belastingdienst. Deze schulden zijn (deels) ontstaan in de periode waarin [verzoekster] werkte als zelfstandig ondernemer.

2.3.

De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie het ontbreken van een poging om tot een minnelijke regeling te komen, niet aan de ontvankelijkheid van het verzoek in de weg staat, omdat voldoende aannemelijk is geworden dat de Belastingdienst als grootste schuldeiser geen medewerking zou willen verlenen aan het minnelijk traject. [verzoekster] is dus ontvankelijk in haar verzoek. Gelet op het tijdsverloop sinds het vorige verzoekschrift dient de rechtbank thans een andere toets te hanteren dan bij het vorige Wsnp-verzoek aan de orde was. De rechtbank komt gelet daarop tot het volgende inhoudelijke oordeel.

De toelating

2.4.

[verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.

2.5.

[verzoekster] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp.

Bevoegdheid

2.6.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoekster] in Nederland ligt.

Duur

2.7.

De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) vast op 18 maanden.

De ingangsdatum

2.8.

De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.

2.9.

Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.

2.10.

De rechtbank stelt vast dat gedurende de periode tussen de twee verzoekschriften schuldhulpverlening niet heeft gereserveerd voor de gezamenlijke schuldeisers. Vanaf juli 2026 is op de bijstandsuitkering van [verzoekster] wel geld ingehouden ten behoeve van één schuldeiser. Vanaf juli 2026 is dus een deel van de inkomsten alleen betaald aan deze schuldeiser. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dat er gedurende die periode niet is gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers in dit geval niet toe te rekenen aan [verzoekster] . Daarom telt die periode wel mee bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum.

2.11.

De rechtbank stelt bovendien vast dat [verzoekster] vanaf juli 2026 ook aan de inspanningsverplichting heeft voldaan. [verzoekster] is door de gemeente namelijk ontheven van haar sollicitatieverplichting van 28 mei 2026 tot en met 28 mei 2027 vanwege medische redenen.

2.12.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De rechtbank kan de ingangsdatum niet vaststellen op de verzochte datum van 20 januari 2026 omdat er vanaf die datum niet voldaan is aan de verplichtingen uit het minnelijk traject. De rechtbank stelt vast dat vanaf juli 2026 is voldaan aan de verplichtingen uit het minnelijk traject en stelt de ingangsdatum vast op 29 juli 2026, zijnde de dag waarop er gedurende het schuldhulpverleningstraject voor het eerst is afgelost uit hoofde van een ten laste van [verzoekster] gelegd beslag/inhouding.

3 De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.

De verplichtingen waaraan [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).

3.2.

Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.

3.3.

De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4. van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.

3.4.

De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.

3.5.

De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.

3.6.

Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.

3.7.

De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan mervouw Van Loon.

3.8.

Als [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4 De beslissing

De rechtbank:

- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoekster],

geboren op [geboortedag] -1970 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

[postcode] [plaats] ;

aldaar voorheen handelend onder de naam [naam] ;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Snel-van den Hout

en tot bewindvoerder P.H.L. Adam,

gevestigd te Postbus 7441

3284 ZG Zuid-Beijerland;

  • stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 29 juli 2026 en de duur op 18 maanden;

  • draagt de bewindvoerder op de post van [verzoekster] in te zien;

- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.

Dit is de beslissing van mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in samenwerking met

I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op

29 oktober 2026.

Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.