Insolventierecht
Verzoek WSNP toegewezen. Geen eerdere ingangsdatum. De regeling is uitgesproken voor 24 maanden vanwege…
Rechtbank Rotterdam, 29 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:15029 · Rechtbank Rotterdam · 29 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-15029
Zaakgegevens
Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2026
- Datum publicatie
- 30 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL:TZ:2616307:R-RK
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:15029
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek WSNP toegewezen. Geen eerdere ingangsdatum. De regeling is uitgesproken voor 24 maanden vanwege recente belastingschulden en CJIB-schulden.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Dordrecht
Rekestnummer: NL:TZ:2616307:R-RK
vonnis van 29 oktober 2026
op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [plaats] .
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt [verzoekster] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 30 januari 2026. Dit verzoek wordt afgewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1 De procedure
[verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
Schuldhulpverlening heeft voorafgaand aan de zitting op 22 september 2026 en op 5 oktober 2026 de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 22 oktober 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoekster] ,
- [schuldhulpverlener 1] en [schuldhulpverlener 2] , beiden schuldhulpverlener van de Sociale Dienst Drechtsteden.
Schuldhulpverlening heeft na de zitting op 22 oktober 2026 de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
2 De beoordeling
De toelating
[verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat de schulden bij de Belastingdienst en het CJIB, die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [verzoekster] bij de Belastingdienst onder meer schulden heeft laten ontstaan terzake inkomstenbelasting, naheffing motorrijtuigen- en omzetbelasting en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. De schulden aan het CJIB zien op verkeersboetes. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan en onbetaald gelaten en staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat [verzoekster] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan en/of onbetaald laten van deze schulden, onder controle heeft gekregen. [verzoekster] heeft haar onderneming opgeheven op 1 september 2024 en is inmiddels werkzaam in loondienst. [verzoekster] heeft verder verklaard dat zij op dit moment geen auto’s meer op haar naam heeft staan. Het onbetaald laten van de motorrijtuigenbelasting dan wel het laten ontstaan van nieuwe boetes acht de rechtbank dan ook niet aan de orde. Daarnaast heeft [verzoekster] ter zitting de reden toegelicht van de wijze waarop de schulden zijn ontstaan en de problematiek met haar – inmiddels – ex-partner. [verzoekster] wil graag van haar schulden af. Zij heeft ter zitting blijk gegeven van een serieuze en saneringsgezinde houding. Hierdoor is bij de rechtbank het vertrouwen ontstaan dat [verzoekster] haar verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
Zoals ter zitting ook is besproken, ziet de rechtbank aanleiding de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) te verlengen. Het Wsnp traject duurt in beginsel 18 maanden. De aard van de schulden kan een reden zijn om een langere duur van de regeling te bepalen. In verband met de recente belastingschulden ziet de rechtbank in dit geval aanleiding om de duur van de schuldsaneringsregeling te verlengen en te stellen op 24 maanden.
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De rechtbank kan niet vaststellen dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. [verzoekster] heeft een medische rapportage van 20 november 2025 overgelegd waaruit blijkt dat zij kampt met gezondheidsklachten die haar beperken bij het uitvoeren van (fulltime) betaalde arbeid. In de rapportage staat dat de beperkte belastbaarheid van tijdelijke aard is en dat de verwachting is dat de belastbaarheid nog kan toenemen. Ter zitting heeft [verzoekster] verklaard dat haar gezondheidssituatie juist is verslechterd en dat zij te kampen heeft met een evenwichtsstoornis. Zij zit op dit moment in de Ziektewet en heeft op 23 november 2026 een afspraak bij de arbeidsdeskundige in het kader van de beoordeling door het UWV. Verder heeft zij verklaard therapie te volgen bij een fysiotherapeut, maar omdat zij niet verzekerd is kan zij niet met regelmaat een afspraak maken. De rechtbank is van oordeel dat de medische klachten van [verzoekster] onvoldoende met stukken zijn onderbouwd om te kunnen oordelen in welke mate zij tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening aan de inspanningsplicht heeft voldaan. Zodra [verzoekster] door het UWV is gekeurd zal in de toekomst wel duidelijk worden wat er van haar kan worden verwacht met betrekking tot haar inspanningsplicht. Verder kan de rechtbank de VTLB-berekeningen niet nauwkeurig op juistheid controleren, omdat niet alle onderliggende bescheiden zijn overgelegd.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.
3 De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoekster] .
Als [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
4 De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedag] -1992 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [plaats] ;
aldaar voorheen handelend onder de naam [naam] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Snel-van den Hout
en tot bewindvoerder J.M Hoogland,
gevestigd te Postbus 81145
3009 GC Rotterdam;
-
stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 29 oktober 2026 en de duur op 24 maanden;
-
draagt de bewindvoerder op de post van [verzoekster] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in samenwerking met
I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op
29 oktober 2026.