Insolventierecht

Moratoriumverzoek afgewezen. Er is reeds eerder een moratorium toegewezen voor zes maanden. De wet voorziet…

Rechtbank Rotterdam, 25 juni 2026

Zaakgegevens

Op 25 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
25 juni 2026
Datum publicatie
15 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2613810:R-RK – NL:TZ:2613833:R-RK
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:8644
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Moratoriumverzoek afgewezen. Er is reeds eerder een moratorium toegewezen voor zes maanden. De wet voorziet niet in de mogelijkheid een moratorium voor meer dan zes maanden te verlenen

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]

uitspraakdatum: 25 juni 2026

[naam 1] ,

wonende te [straatnaam] ,

[postcode] [woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 1 juni 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 2 juni 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 18 juni 2026.

Ter zitting van 18 juni 2026 is verschenen en gehoord:

- mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).

De heer [naam 3] , werkzaam bij Hafkamp en Groenewegen Gerechtsdeurwaarders heeft namens Pitlo Huur Beheer B.V., gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster), voorafgaand aan de zitting op 15 juni 2026 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

Verzoeker is niet ter zitting verschenen. Schuldhulpverlening heeft verklaard dat verzoeker wel op de hoogte was van de zitting. Schuldhulpverlening is zich er van bewust dat er reeds eerder een moratoriumverzoek is toegewezen, maar omdat de omstandigheden zijn gewijzigd, in die zin dat er beschermingsbewind is uitgesproken, heeft schuldhulpverlening wederom een verzoek ingediend.

3 Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Bij vonnis van 20 augustus 2025 is reeds eerder vanaf 22 juli 2025 een moratoriumverzoek toegewezen voor zes maanden. Een tweede moratorium is niet mogelijk. Het is verzoeker blijkbaar niet gelukt om tijdens de periode van het eerste toegewezen moratorium een regeling aan de schuldeisers voor te stellen. Ook na het verstrijken van het moratorium is er niets van verzoeker vernomen. De lopende huurverplichting wordt weliswaar voldaan, maar de betaaldatum is wisselend. Zo is de huur over de maand juni 2026 op 2 juni 2026 voldaan, dus te laat.

4 De beoordeling

Vast is komen te staan dat verzoeker eerder een verzoekschrift ex artikel 284 Fw, met een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw heeft ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad (‘moratorium’). Bij vonnis van deze rechtbank van 20 augustus 2025 is dit verzoek voor de duur van zes maanden toegewezen (vanaf 22 juli 2025). Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is in datzelfde vonnis niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoeker heeft nu opnieuw verzocht een moratorium toe te wijzen, wederom voor de duur van zes maanden. Dit verzoek ziet op de ontruiming van dezelfde huurwoning en heeft wederom betrekking op hetzelfde ontruimingsvonnis van 24 juni 2025. Artikel 287b lid 5 Fw bepaalt echter dat de desbetreffende voorlopige voorziening wordt uitgesproken voor de duur van maximaal zes maanden. Door het eerder afgekondigde moratorium is deze periode inmiddels verstreken. De wet voorziet niet in een mogelijkheid om een moratorium voor meer dan zes maanden uit te spreken.

Gezien het bovenstaande wijst de rechtbank het verzoek om een moratorium af.

De rechtbank stelt ook vast dat het minnelijk traject nog niet is opgestart en naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond. Verzoeker zal gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van

C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.