Insolventierecht
Moratoriumverzoek toegewezen voor zes maanden. De lopende huurtermijnen kunnen worden voldaan…
Rechtbank Rotterdam, 25 juni 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:8655 · Rechtbank Rotterdam · 25 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbrot-2026-8655
Zaakgegevens
Op 25 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 25 juni 2026
- Datum publicatie
- 15 juli 2026
- Zaaknummer
- NL:TZ:2612218:R-RK - NL:TZ:2612219:R-RK
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:8655
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Moratoriumverzoek toegewezen voor zes maanden. De lopende huurtermijnen kunnen worden voldaan. Beschermingsbewind is aangevraagd. Schulden zullen op korte termijn geïnventariseerd gaan worden.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
uitspraakdatum: 25 juni 2026
[naam 1] ,
wonende te [straatnaam] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
1 De procedure
Verzoeker heeft op 13 mei 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 13 mei 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 juni 2026. Op 2 juni 2026 is geen van de partijen verschenen. Daarnaar gevraagd deelde schuldhulpverlening mee de datum van de zitting verkeerd in de agenda te hebben gezet. De rechtbank heeft bij wijze van hoge uitzondering de zitting verplaatst, en wel naar 18 juni 2026. Mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Bazuin en Partners, gemachtigde van stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster), heeft bij e-mailbericht van 11 juni 2026 de rechtbank verzocht de zitting wederom te verplaatsen. Omdat bij de rechtbank onduidelijkheid bestond over het verzoek van verweerster, is telefonisch navraag gedaan. Verweerster heeft uiteindelijk meegedeeld aangegeven dat de zitting niet verplaatst hoefde te worden. Verweerster kon niet ter zitting verschijnen en zou schriftelijk verweer te voeren. Dit verweer is door de rechtbank niet ontvangen.
Ter zitting van 18 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
-
verzoeker;
-
de heer [naam 3] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
-
de heer [naam 4] , werkzaam bij het Leger des Heils (hierna: begeleiding).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2 Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft inkomen uit een PW-uitkering en ontvangt daarnaast huur- en zorgtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 505,44 te voldoen. De huurtermijnen over de maanden mei en juni 2026 zijn voldaan. Verzoeker is zich ervan bewust dat de lopende huurtermijnen tijdig, dus voor de eerste van de maand dienen te worden voldaan. Er is een verzoek tot onderbewindstelling ingediend. De begeleiding heeft ter zitting verklaard goede contacten met de beoogd beschermingsbewindvoerder te onderhouden. Er heeft al een bespreking plaatsgevonden en de gegevens van de schuldeisers zijn aan de beschermingsbewindvoerder overgelegd. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de beoogd beschermingsbewindvoerder de schuldeisers zal aanschrijven en inventariseren, waarna schuldhulpverlening het schuldsaneringstraject verder zal oppakken.
3 Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
4 De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 23 april 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 19 mei 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerder, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 1 april 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt inkomsten uit een PW-uitkering en ontvangt daarnaast huur- en zorgtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur over de maanden mei en juni 2026 zijn, weliswaar te laat, voldaan. Verzoeker heeft ter zitting verklaard er van doordrongen te zijn dat hij de huur tijdig, te weten voor de eerste van de maand, dient te voldoen. Er is een verzoekschrift tot onderbewindstelling ingediend. De verwachting is dat het beschermingsbewind op korte termijn zal worden uitgesproken. Beschermingsbewind waarborgt de betalingen van de lopende huurtermijnen. De gegevens van de schuldeisers zijn inmiddels aangeleverd bij de beoogd beschermingsbewindvoerder, die de schuldeisers zal gaan inventariseren. Na de inventarisatiefase zal schuldhulpverlening het schuldhulpverleningstraject verder oppakken. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5 De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 1 april 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan het [straatnaam] te [postcode] [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 13 mei 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.