Insolventierecht

Moratoriumverzoek toegewezen voor zes maanden. Inkomen is stabiel, huur wordt sinds enige maanden tijdig…

Rechtbank Rotterdam, 23 juli 2026

Zaakgegevens

Op 23 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
23 juli 2026
Datum publicatie
12 augustus 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2615846:R-RK – NL:TZ:2615903:R-RK NL:TZ:2615
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9981
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Moratoriumverzoek toegewezen voor zes maanden. Inkomen is stabiel, huur wordt sinds enige maanden tijdig voldaan. Voor schuldhulpverlening worden gegevens verzameld waarna traject wordt opgestart.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]

[nummer 3] – [nummer 4]

uitspraakdatum: 23 juli 2026

[verzoeker 1]

en

[verzoeker 2] ,

wonende te [straatnaam] ,

[postcode] [woonplaats] ,

verzoekers.

1 De procedure

Verzoekers hebben op 9 juli 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 10 juli 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 16 juli 2026.

Ter zitting van 16 juli 2026 zijn verschenen en gehoord:

  • verzoeker;

  • mevrouw [naam] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);

Verzoekster is eveneens verschenen. Omdat verzoekers hun minderjarige kinderen hebben meegenomen naar de zitting omdat zij geen oppas hadden, heeft verzoekster aangeboden op de gang te wachten met haar kinderen. Verzoeker heeft namens verzoekster het woord gevoerd.

Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders, de gemachtigde van de stichting Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster), heeft namens verweerster geen verweer gevoerd, maar enkel bij e-mailbericht van 15 juli 2026 laten weten dat er namens verweerster niemand ter zitting zal verschijnen.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 april 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.

Verzoekers zijn in de betalingsproblemen gekomen door de eigen onderneming van verzoeker. Verzoeker heeft zijn eigen onderneming vorig jaar gestaakt. Het gezinsinkomen bestaat thans uit het inkomen uit dienstbetrekking van verzoekster, een aanvullende PW-uitkering en toeslagen. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoeker heeft verklaard dat het inkomen nu stabiel is. Verzoekers betalen sinds geruime tijd de huur weer op tijd. De huur voor de maand juli 2026 is voldaan op 22 juni 2026. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de klantregisseur bezig is met het verzamelen van gegevens. De schuldenlijst is nog niet helemaal compleet. Zodra de klantregisseur alle gegevens heeft verzameld, zal de schuldregeling worden opgestart.

3 Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 april 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 6 mei 2026 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 14 juli 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 21 april 2026 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Het gezinsinkomen bestaat uit loon uit arbeid van verzoekster, een aanvullende PW-uitkering en toeslagen. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat – sinds het inkomen stabiel is – de huur tijdig wordt voldaan. De huur voor de maand juli 2026 is voldaan op 22 juni 2026. De klantregisseur van de gemeente is bezig met het verzamelen van gegevens. Zodra deze gegevens compleet zijn zal de schuldregeling worden opgestart. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 21 april 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [straatnaam] te ( [postcode] ) [locatie] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 10 juli 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van

C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.