Insolventierecht
Moratoriumverzoek toegewezen voor zes maanden. Inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te…
Rechtbank Rotterdam, 22 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:9988 · Rechtbank Rotterdam · 22 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbrot-2026-9988
Zaakgegevens
Op 22 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Datum publicatie
- 12 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL:TZ:2612102:R-RK – NL:TZ:2612103:R-RK
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:9988
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Moratoriumverzoek toegewezen voor zes maanden. Inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoekster staat onder beschermingsbewind. Beschermingsbewind waarborgt de huurbetalingen. Schuldhulpverlening stapt over uitsluiting schuldhulpverlening heen en zal verzoekster helpen met haar schulden.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 22 juli 2026
[verzoekster] ,
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats],
verzoekster.
1 De procedure
Verzoekster heeft op 12 mei 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 13 mei 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 juni 2026.
Ter zitting van 2 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
-
de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2], beiden werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
-
mevrouw E. Klein, werkzaam bij Klein Budgetbeheer B.V. (hierna: beschermingsbewindvoerder);
-
mevrouw [naam 3], werkzaam bij de stichting Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
Verzoekster is niet ter zitting verschenen. Schuldhulpverlening heeft voorafgaand aan de zitting telefonisch contact gehad met verzoekster. Verzoekster stelt niet op de hoogte te zijn van de situatie en wist niet dat zij naar de rechtbank moest komen.
De rechtbank heeft de beschermingsbewindvoerder in de gelegenheid gesteld uiterlijk
15 juli 2026 aanvullende informatie te verstrekken. De beschermingsbewindvoerder heeft de rechtbank op 13 juli 2026 aanvullende gegevens toegezonden. De rechtbank heeft deze gegevens doorgezonden aan verweerster en haar in de gelegenheid gesteld tot 15 juli 2026 16:00 uur om te reageren. Van verweerster is geen reactie ontvangen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2 Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster is een alleenstaande vrouw die de Nederlandse taal niet machtig is. Voor hulp is zij afhankelijk van haar dochter. Het vermoeden bestaat dat verzoekster niet van alles wat er speelt op de hoogte is. Toen schuldhulpverlening telefonisch contact met verzoekster opnam over de moratoriumzitting, reageerde verzoekster verrast. Om verdere problemen te voorkomen is er een spoedaanvraag voor beschermingsbewind gedaan. Verzoekster staat inmiddels onder bewind, maar het kost tijd om er voor te zorgen dat de inkomsten van verzoekster op de beheerrekening van de beschermingsbewindvoerder worden overgemaakt. De inkomsten uit AOW, pensioen en toeslagen zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De beschermingsbewindvoerder heeft bij bericht van 13 juli 2026 aan de rechtbank bevestigd dat de inkomsten uit AOW op de beheerrekening worden overgemaakt. De huur over de maand juli 2026 is voldaan. Deze betaling heeft iets te laat plaatsgevonden omdat de beschermingsbewindvoerder geen betaalgegevens ontving van verweerster. Het pensioen uit [locatie 1] wordt op dit moment door verzoekster gebruikt als leefgeld. De beschermingsbewindvoerder zal trachten ook dit pensioen naar de beheerrekening te laten overmaken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster is uitgesloten van schuldhulpverlening tot mei 2027. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard – gelet op de bijzondere omstandigheden – over deze uitsluiting heen te stappen en verzoekster alsnog te helpen met haar schulden.
3 Het verweer
Verweerster heeft ter zitting verklaard dat de laatste huurbetaling heeft plaatsgevonden in maart 2025. Verweerster heeft verzoekster telefonisch gesproken voor de zitting en geconstateerd dat verzoekster niet op de hoogte is van de situatie. Omdat beschermingsbewind is uitgesproken en er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, zal verweerster geen verweer voeren, indien de huur over de maand juli 2026 op tijd wordt voldaan.
4 De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 14 april 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 19 mei 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 27 maart 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster staat onder beschermingsbewind en de inkomsten uit AOW en toeslagen worden inmiddels op de beheerrekening ontvangen. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Daarnaast zal de beschermingsbewindvoerder ook trachten het de inkomsten uit pensioen in [locatie 1] naar de beheerrekening over te laten maken. De huur over de maand juli 2026 is – weliswaar te laat – voldaan. De beschermingsbewindvoerder geeft aan dat zij in afwachting was van betaalgegevens van verweerster die zij te laat heeft ontvangen. Omdat er sprake is van beschermingsbewind en de betaalgegevens van verweerster thans bekend zijn, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen in het vervolg tijdig zullen worden voldaan. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij over de uitsluiting tot schuldhulpverlening zal heen stappen en verzoekster alsnog zal helpen met haar schulden. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5 De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 27 maart 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [straatnaam] te ([postcode]) [locatie 2], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 13 mei 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.