Ondernemingsrecht

Civielrechtelijk bestuursverbod (artikel 106a Fw). Opvragen uittreksel uit het Handelsregister als bedoeld in…

Rechtbank Rotterdam, 29 april 2026

Zaakgegevens

Op 29 april 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over ondernemingsrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
29 april 2026
Datum publicatie
21 mei 2026
Zaaknummer
C/10/701956 / HA ZA 25-528
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. M.M.E van Veen-Oudenaarden, mr. P. Geervliet
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:5842
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Civielrechtelijk bestuursverbod (artikel 106a Fw). Opvragen uittreksel uit het Handelsregister als bedoeld in artikel 106c Fw.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/701956 / HA ZA 25-528

Vonnis van 29 april 2026

in de zaak van

MR. [curator] Q.Q.

in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf] B.V.,

kantoorhoudend in Den Haag,

eisende partij,

advocaat: mr. M.M.E. van Veen-Oudenaarden,

tegen

[gedaagde] ,

wonend in [woonplaats] ,

gedaagde partij,

advocaat: mr. P. Geervliet.

Partijen worden hierna de curator en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:

  • de dagvaarding van 13 maart 2025, met producties 1 tot en met 26;

  • de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 8;

  • de brieven van de rechtbank van 8 december 2025, waarbij partijen zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 10 april 2026;

  • de berichten van de rechtbank van 5 maart 2026, met een agenda voor de mondelinge behandeling;

  • het bericht van mr. Geervliet van 29 maart 2026, met twee bijlagen;

  • de mondelinge behandeling op 10 april 2026 (waarvan geen proces-verbaal is opgemaakt).

1.2.

Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat vonnis wordt gewezen.

2 De beoordeling

2.1.

De curator vordert in deze procedure onder meer om aan [gedaagde] op grond van artikel 106a Fw een civielrechtelijk bestuursverbod op te leggen.

2.2.

Artikel 106c lid 1 Fw schrijft voor dat bij een vordering tot het opleggen van een bestuursverbod een uittreksel uit het Handelsregister wordt overgelegd van de overige rechtspersonen waarvan de betrokkene bestuurder of commissaris is. De curator heeft dat niet gedaan. Het is de rechtbank niet bekend of [gedaagde] bestuurder of commissaris is van andere rechtspersonen.

2.3.

Voordat de rechtbank een beslissing neemt over de vorderingen, zal de curator worden opgedragen om de rechtbank te informeren of [gedaagde] bestuurder of commissaris is van andere rechtspersonen, op de wijze als in de beslissing omschreven.

2.4.

Indien blijkt dat [gedaagde] meer rechtspersonen bestuurt of daarvan commissaris is, zullen die rechtspersonen in staat worden gesteld om hun zienswijze over het gevraagde bestuursverbod en de mogelijke gevolgen daarvan naar voren te brengen, zoals artikel 106c lid 2 Fw voorschrijft. Indien blijkt dat [gedaagde] geen bestuurder of commissaris van andere rechtspersonen is, komt de zaak weer voor vonnis te staan.

2.5.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

draagt de curator op de rechtbank mee te delen of [gedaagde] bestuurder of commissaris is van andere rechtspersonen en zo ja, een uittreksel uit het Handelsregister over te leggen van die rechtspersoon of rechtspersonen,

3.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 13 mei 2026 voor uitlating door de curator als omschreven in 3.1,

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Schuiling, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

1977/3194