Personen- en familierecht

WTH, besluit vernietigd, niet zorgvuldig voorbereid en niet goed gemotiveerd, rechtsgevolgen van te…

Rechtbank Rotterdam, 15 juli 2026

Zaakgegevens

Op 15 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
15 juli 2026
Datum publicatie
23 juli 2026
Zaaknummer
C/10/723133 KG ZA 26-726 & C/10/723138 / FA RK 26-
Procedure
Proces-verbaal
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:8977
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

WTH, besluit vernietigd, niet zorgvuldig voorbereid en niet goed gemotiveerd, rechtsgevolgen van te vernietigen besluit in stand laten.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Reg.nrs.: C/10/723133 / KG ZA 26-726 (voorlopige voorziening)

C/10/723138/ FA RK 26-5680 (beroep)

Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen

[verzoeker] ,

hierna: verzoeker,

wonende te [woonplaats 1],

gemachtigde mr. M. Kaplan,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam,

hierna: verweerder,

gemachtigde mr. D.J.J. Straver,

in welke zaak belanghebbenden zijn:

[naam achterblijfster] ,

wonende te [woonplaats 2],

hierna: achterblijfster,

[naam dochter],

wonende te [woonplaats 3],

hierna: dochter van verzoeker,

[naam zoon],

wonende te [woonplaats 4],

hierna: zoon van verzoeker,

hierna samen: achterblijvers.

1 Ontstaan en loop van de procedure

1.1.

Bij besluit van 11 juli 2026 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker.

1.2.

Bij brief van 12 juli 2026 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

1.3.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2026. Daarbij zijn aanwezig geweest:

  • verzoeker en zijn gemachtigde;

  • verweerder, vertegenwoordigd door mr. D.J.J. Straver.

Achterblijvers zijn behoorlijk opgeroepen maar niet verschenen.

2 Beslissing

De voorzieningenrechter:

? verklaart het beroep gegrond;

? vernietigt het bestreden besluit;

? bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

? veroordeelt de verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-;

? wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

3 Overwegingen

3.1.

Weergave bestreden besluit en verzoek en beroep

3.1.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth).

Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.

3.1.2.

Het verzoek strekt ertoe de rechtsgevolgen van het bestreden besluit te schorsen. Het beroep strekt ertoe het bestreden besluit te vernietigen en verweerder te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Spoedeisend belang

3.2.1.

Verzoeker heeft door het opgelegde en verlengde huisverbod geen toegang tot zijn woning. Het spoedeisend belang bij de door hem gevraagde voorziening is daarmee gegeven.

3.3.

Wettelijk kader

3.3.1.

De wettelijke bepalingen die van belang zijn voor de beoordeling van het beroep zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

3.4.

Kortsluiten met afwijzen verzoek voorlopige voorziening

3.4.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.

3.5.

Beoordeling beroepsgronden

3.5.1.

Verzoeker voert aan dat niet is voldaan aan het wettelijk criterium van gevaar: er was geen geweld, het was niet ernstig en het was niet onmiddellijk.

3.5.2.

De voorzieningenrechter denkt daar anders over. Voor de voorzieningenrechter is voldoende gebleken dat sprake was van een situatie die niet langer zo kan doorgaan. Dat er een dag tussen het laatste incident van 10 juli 2026 en het opleggen van het huisverbod zit, dat mag. Dat betekent niet de niet voldaan is aan de wet. Verzoeker is ook op 11 juli 2026 pas gehoord door het CIT. Ook de feiten hoeven niet precies vast te staan. Dat volgt uit de aard van het huisverbod. Verweerder heeft de bevoegdheid een huisverbod op te leggen als voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, of ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen voordoet. Voor die bevoegdheid is niet nodig dat er fysiek geweld is gebruikt. Veel, vaak en hevige ruzie is ook geweld. Waar die ruzie vandaan komt, maakt niet uit. Verzoeker, achterblijfster maar ook de kinderen hebben daar heel veel last van. De zoon van verzoeker heeft verteld dat hij zelfs uit frustratie met zijn vuist tegen de deur slaat. Dan is het dus echt heel erg geweest. Verweerder mag ook kijken hoe het eerder ging. Dus dat er vaker ruzie is geweest, mag verweerder in zijn besluitvorming betrekken.

3.5.3.

Verzoeker heeft tevens aangevoerd dat verweerder bij het opleggen van het huisverbod beter zijn belangen had moeten wegen. Verzoeker zegt dat het CIT had moeten doorvragen of dat een nieuw gesprek had moeten plaatsvinden. Dat is niet gebeurd. Het gesprek met het CIT van 11 juli 2026 eindigt omdat de tolktijd erop zit. Het gesprek was eigenlijk nog niet klaar. Verzoeker zegt dat hij meer had willen vertellen over zijn medische omstandigheden en waarom hij niet uit zijn huis wilde. Verzoeker heeft niet verteld over de medicatie die hij nodig heeft. De voorzieningenrechter kan uit de stukken niet opmaken of dat komt omdat verzoeker het gewoon niet heeft gezegd of omdat de tijd op was. Verweerder had dat wel moeten weten om de belangen van verzoeker goed te kunnen wegen.

3.5.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit het besluit niet blijkt of en hoe de medische omstandigheden van verzoeker zijn betrokken in de belangenafweging. Verweerder kende die omstandigheden wel. De zoon van verzoeker en achterblijfster hebben verteld dat verzoeker MS heeft en soms verward praat. Zelf heeft verzoeker verteld dat hij mentale en lichamelijke gezondheidsproblemen heeft waarvoor achterblijfster er voor hem moet zijn. Ook weet verweerder dat verzoeker in een huis woont dat hij met medische urgentie heeft gekregen. Bovendien weet verweerder dat verzoeker niet kan werken omdat hij ziek is en hij daarom een uitkering krijgt. Ook de voorzieningenrechter kan zien dat verzoeker klachten heeft. De politie had dat dus ook meteen kunnen zien. Dit is in het geheel niet betrokken in de belangenafweging. Tijdens de zitting heeft verweerder verteld dat de medische problemen niet maken dat de belangenafweging in het voordeel van verzoeker zou uitvallen. Ook als die problemen beter bekend waren, was het huisverbod opgelegd. Dat komt omdat de rustperiode nodig is, hulp nodig is en omdat anders achterblijfster met de twee kinderen een andere plek moet zoeken.

3.5.5.

De voorzieningenrechter mag op grond van artikel 8:69 lid 2 van de Awb de rechtsgronden aanvullen. Het huisverbod is niet zorgvuldig genoeg voorbereid. Het gehoor had later afgemaakt moeten worden. Alleen al om zeker te weten dat verzoeker alleen ging herhalen of toch nieuwe dingen ging vertellen. Dat is in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Ook is het besluit daarom niet goed gemotiveerd, wat in strijd is met 3:46 van de Awb. De belangen van verzoeker staan niet in het besluit en het besluit heeft alleen meer algemene zinnen. Dat verzoeker niet heeft gezegd medicatie nodig te hebben, onderstreept vooral de noodzaak het gehoor af te maken. Dat volgens verweerder de nood er niet was voor hulp in passende huisvesting omdat verzoeker niet Veilig Thuis heeft gebeld, is onvoldoende. De voorzieningenrechter merkt tijdens de zitting dat verzoeker bij alles hulp nodig heeft. De zus is mee naar de zitting. De zus van verzoeker heeft moeten helpen om de medicijnen weer te krijgen, zij gaat morgen mee naar veilig thuis enzovoort. Verzoeker kan moeilijk communiceren. Dat ligt niet per se aan de taal, maar meer aan zijn medische problemen.

3.5.6.

Het beroep van de verzoeker tegen het bestreden besluit is dan ook gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

3.5.7.

De voorzieningenrechter laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter in stand. Dat betekent dat verzoeker nu niet naar huis mag. Tijdens de zitting is alles uitgebreid besproken. Daaruit blijkt de voorzieningenrechter dat verweerder bevoegd was een huisverbod op te leggen. Er zijn vaker heftige ruzies geweest met zodanige dreiging dat ingegrepen moet worden om erger te voorkomen. Het huisverbod heeft namelijk ook tot doel preventie van huiselijk geweld. Dat heeft verweerder vandaag ook gezegd. Bij verzoeker zijn de omstandigheden waardoor die ruzies ontstaan niet veranderd. De ruzies gaan onder andere over financiële problemen en relatieproblemen. Verzoeker is afgekeurd en krijgt een uitkering. Die financiële positie zal dus niet snel veranderen. Ook de relatieproblemen spelen al lang. Er is heel vaak erge ruzie. Achterblijfster en zoon van verzoeker zeggen dat verzoeker veel schreeuwt en soms verward praat. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verteld te willen scheiden. De voorzieningenrechter heeft gelezen dat achterblijfster dat ook wil. Dat is ook niet zomaar geregeld. Bovendien moet achterblijfster dan een ander huis vinden, ook dat kost tijd. De afkoelperiode van het huisverbod is nodig. Er zal hulpverlening starten om te helpen bij de problemen. Verzoeker maar ook achterblijfster hebben dat nodig om uit deze situatie te komen. Dat wordt verzoeker gegund, maar vooral ook de kinderen. Ook al zijn zij volwassen, het blijven kinderen die tussen verzoeker en achterblijfster inzitten. Morgen vinden belangrijke gesprekken plaats voor verzoeker, achterblijfster en de kinderen. Als daar goede afspraken worden gemaakt en gestart wordt met hulpverlening, kan verweerder beslissen of het huisverbod wordt gehandhaafd of niet. Op dit moment is het voor die beslissing nog te vroeg.

3.5.8.

De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verweerder het belang van achterblijfster en de kinderen zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van verzoeker. Verweerder heeft in redelijkheid aan verzoeker het huisverbod kunnen opleggen. Dat verzoeker nu moet slapen bij de moskee is vervelend voor hem, maar niet van doorslaggevende betekenis. Verzoeker heeft gelukkig inmiddels ook weer zijn medicatie. Verweerder heeft deze afweging in het nadeel van verzoeker mogen laten uitvallen. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand laten.

3.6.

Proceskosten

3.6.1.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat uit het voorgaande volgt dat verzoeker gegronde redenen heeft gehad om op te komen tegen het bestreden besluit. Verzoeker heeft daarvoor een verzoekschrift voor een voorlopige voorziening opgesteld en een beroepschrift opgesteld. Beide zijn tegelijk behandeld tijdens één zitting. In lijn met het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de voorzieningenrechter 1 punt toe voor het verzoekschrift en 1 punt voor het behandelen daarvan tijdens de zitting, en 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het behandelen daarvan tijdens de zitting. Gelet op de onderlinge samenhang tussen de procedure voorlopige voorziening en de beroepsprocedure hanteert de voorzieningenrechter voor beide een wegingsfactor van 0,5. Per saldo gaat de voorzieningenrechter bij de proceskostenveroordeling in beide procedures samen dus uit van 2 punten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft 1 punt een waarde van € 934,-. De proceskostenveroordeling in beide procedures samen is daarom € 1.868,-.

Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet het bedrag van de kosten worden betaald aan de rechtsbijstandverlener.

Aldus gedaan door mr. S. Wierink, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, en door deze en H.J. de Wit, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

Bijlage wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Op grond van artikel 3:2 van de Awb moet het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaren.

Op grond van artikel 3:46 van de Awb moet een besluit berusten op een deugdelijke motivering.

Op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb vult de bestuursrechter ambtshalve de rechtsgronden aan.

Op grond van artikel 8:72, eerste lid, van de Awb, vernietigt de bestuursrechter indien hij het beroep gegrond verklaart, het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk. Op grond van het tweede lid brengt de vernietiging van een besluit vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee. De bestuursrechter kan op grond van het derde lid bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, als het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan als beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Wet tijdelijk huisverbod (Wth)

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

Op grond van artikel 2, vierde lid, van de Wth bevat het huisverbod in ieder geval een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor het geldt, de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van het huisverbod en de namen van de personen ten aanzien van wie het verbod om contact op te nemen geldt.

Op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wet tijdelijk huisverbod betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.