Personen- en familierecht
Wet tijdelijk huisverbod. Verzoeker heeft het beroep tegen het opleggingsbesluit op de zitting ingetrokken…
Rechtbank Rotterdam, 22 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:9998 · Rechtbank Rotterdam · 22 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/proces-verbaal/ecli-nl-rbrot-2026-9998
Zaakgegevens
Op 22 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Datum publicatie
- 12 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/10/723577 / KG ZA 26-768 - C/10/723578 / FA RK 2
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Proces-verbaalProces-verbaalHet schriftelijke verslag van de zitting, soms met de mondelinge uitspraak van de rechter erin.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:9998
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wet tijdelijk huisverbod.
Verzoeker heeft het beroep tegen het opleggingsbesluit op de zitting ingetrokken. Daarmee staat de rechtmatigheid van de oplegging van het huisverbod en het gevaar wat daaraan ten grondslag lag vast. Verweerder heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid het huisverbod te verlengen omdat het gevaar op dat moment nog voortduurde. Het gevaar duurde ook tijdens de zitting nog onverminderd voort, zodat geen aanleiding is gezien op dat moment het huisverbod op te heffen.
Het beroep is ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Reg.nrs.: C/10/723577 / KG ZA 26-768 (voorlopige voorziening)
C/10/723578 / FA RK 26-5911 (beroep tegen de oplegging)
C/10/723580 / FA RK 26-5912 (beroep tegen de verlenging)
Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
22 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen
[verzoeker] , verzoeker,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [straatnaam] ,
gemachtigde mr. M. Kaplan.
en
de burgemeester van de gemeente Voorne aan Zee, verweerder,
gemachtigde mr. M. van Helvoort,
in welke zaken belanghebbende is:
[achterblijfster] , partner van verzoeker,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [straatnaam] ,
hierna achterblijfster.
1 Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 2 juli 2026 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker.
Bij besluit van 9 juli 2026 heeft verweerder dit huisverbod verlengd tot
30 juli 2026.
Bij brief van 20 juli 2026, ingekomen op 21 juli 2026, heeft verzoeker beroep ingesteld tegen deze besluiten (hierna: de bestreden besluiten). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2026.
Aanwezig waren:
? verzoeker en zijn gemachtigde.
Verweerder is met kennisgeving niet verschenen.
Achterblijfster is niet verschenen.
2 Beslissing
De voorzieningenrechter:
? verklaart het beroep ongegrond,
? wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
3 Overwegingen
Wettelijk kader
De rechtbank neemt de relevante wettelijke bepalingen op in de bijlage.
Besluit oplegging huisverbod
Verzoeker heeft tijdens de zitting het beroep tegen het besluit tot oplegging van het huisverbod ingetrokken. Daarmee staat de rechtmatigheid van de oplegging van het huisverbod en het gevaar dat daaraan ten grondslag lag vast.
Weergave bestreden verlengingsbesluit, verzoek en beroep
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning van achterblijfster nog steeds (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.
Het verzoek strekt ertoe de het bestreden besluit te vernietigen, al dan niet gedeeltelijk te schorsen en verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Het beroep strekt ertoe het bestreden besluit te vernietigen en verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Kortsluiten
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.
Toetsing ex tunc
Verzoeker voert aan dat de verlenging van het huisverbod ten onrechte heeft plaatsgevonden en een onjuiste belangenafweging heeft plaatsgevonden.
De rechter beoordeelt vol of het gevaar (nog) blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Het aanvaarden van een aanbod tot hulpverlening, het beginnen met die hulpverlening en de reële verwachting dat betrokkene daaraan blijft meewerken zijn indicaties dat het gevaar niet langer bestaat. Als nog blijkt van dat gevaar, dan is verweerder bevoegd het huisverbod te verlengen tot ten hoogste vier weken. Daarna beoordeelt de rechter terughoudend of verweerder, alle belangen afwegend, gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid.
Gebleken is dat ten tijde van het verlengingsbesluit nog geen partnergesprek had plaatsgevonden en er nog geen veiligheidsafspraken waren gemaakt. Immers, verzoeker heeft tijdens de zitting zelf verklaard dat het eerste partnergesprek plaatsvond op
14 juli 2026, dus na het bestreden besluit. Dit beide (het houden van een partnergesprek en het maken van veiligheidsafspraken) is niet van de grond gekomen op het moment van het besluit tot verlenging van het huisverbod. De situatie ten tijde van de verlenging was daarom nog net zo als ten tijde van de oplegging van het huisverbod. Verweerder was dus bevoegd dit besluit te nemen en heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van die bevoegdheid.
Toetsing ex nunc
De voorzieningenrechter moet daarna beoordelen of het gevaar ook nog bestond na het verlengingsbesluit en of verweerder in redelijkheid gebruik kan en heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid het huisverbod te laten voortduren.
Verzoeker stelt dat hij van meet af aan heeft meegewerkt aan alle afspraken en het niet aan hem te wijten is dat er nog geen veiligheidsafspraken zijn gemaakt en er nog geen hulpverlening is opgestart. Hij is van mening dat dit niet langer voor zijn rekening en risico moet komen en verwijst hiervoor naar een uitspraak van deze rechtbank. Anders dan in de uitspraak waarnaar wordt verwezen, kan in het onderhavige geval niet worden gezegd dat sprake is van een weigerachtige houding van achterblijfster. Zij was immers aanwezig bij het eerste partnergesprek op 14 juli 2026. Omdat verzoeker en achterblijfster geen overeenstemming hadden over het al dan niet voortzetten van de relatie, heeft Veilig Thuis besloten dat er op 21 juli 2026 een vervolggesprek zou plaatsvinden. Dit gesprek is op verzoek van achterblijfster verzet naar 28 juli 2026, omdat zij was verhinderd op die datum. Daargelaten de welwillende houding van verzoeker, vaststaat dat de gesprekken die zijn geweest er niet toe hebben geleid dat er veiligheidsafspraken zijn gemaakt en de hulpverlening daadwerkelijk is gestart. Verzoeker heeft tot nu toe alleen een intakegesprek gehad met Antes voor emotieregulatie, maar van een daadwerkelijke aanvang van hulpverlening is geen sprake. Daarom kan niet worden gezegd dat het gevaar is geweken. Verweerder is dan ook bevoegd het huisverbod te laten voortduren.
Het voorgaande betekent dat het beroep tegen het verlengingsbesluit ongegrond is.
Omdat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doet in de hoofdzaak, wordt het verzoek om voorlopige voorziening gericht tegen het verlengingsbesluit afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
|
Aldus gedaan door mr. M.C. Woudstra, voorzieningenrechter, en door deze en mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, ondertekend. De griffier: De voorzieningenrechter: |
||
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden op:
Bijlage
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Op grond van artikel 3:46 van de Awb moet een besluit berusten op een deugdelijke motivering.
Op grond van artikel 3:47, eerste lid van de Awb wordt de motivering vermeld bij de bekendmaking van het besluit. Op grond van het derde lid verstrekt het bestuursorgaan de motivering binnen een week na de bekendmaking van het besluit als de motivering in verband met de vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van het besluit kan worden vermeld.
Op grond van artikel 3:50 van de Awb wordt, indien het bestuursorgaan een besluit neemt dat afwijkt van een met het oog daarop krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, zulks met de redenen voor de afwijking in de motivering vermeld.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, als het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan als beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
Wet tijdelijk huisverbod (Wth)
Op grond van artikel 2, vierde lid, van de Wth bevat het huisverbod in ieder geval een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor het geldt, de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van het huisverbod en de namen van de personen ten aanzien van wie het verbod om contact op te nemen geldt.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.