Personen- en familierecht
Wet tijdelijk huisverbod. Het beroep tegen het opleggingsbesluit is gegrond verklaard, het bestreden besluit…
Rechtbank Rotterdam, 22 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:9999 · Rechtbank Rotterdam · 22 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/proces-verbaal/ecli-nl-rbrot-2026-9999
Zaakgegevens
Op 22 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Datum publicatie
- 12 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/10/723461 / KG ZA 26-756 - C/10/723462 / FA RK 2
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Proces-verbaalProces-verbaalHet schriftelijke verslag van de zitting, soms met de mondelinge uitspraak van de rechter erin.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:9999
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wet tijdelijk huisverbod.
Het beroep tegen het opleggingsbesluit is gegrond verklaard, het bestreden besluit is vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit zijn in stand gelaten tot 23 juli 2026 om 9:00 uur.
Verweerder heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid om aan verzoeker een huisverbod op te leggen (toetsing ex tunc).
Ten tijde van de mondelinge behandeling is gebleken dat achterblijfster uit de woning is vertrokken en voorlopig niet van plan lijkt om terug te keren, terwijl verzoeker in verband met zijn medische toestand belang heeft bij terugkeer in de woning die nu leeg staat. Alle belangen afwegend is de voorzieningenrechter daarom van oordeel dat tot vernietiging van het huisverbod moet worden overgegaan omdat het gevaar niet langer aanwezig is (toetsing ex nunc).
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Reg.nrs.: C/10/723461 / KG ZA 26-756 (voorlopige voorziening)
C/10/723462 / FA RK 26-5854 (beroep)
Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
22 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen
[naam vader] , verzoeker,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [straatnaam] ,
gemachtigde mr. R.V. Paniagua.
en
de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigde mr. S. Ercan,
in welke zaken belanghebbenden zijn:
[naam moeder] , ex-partner van verzoeker,
de minderjarige kinderen van verzoeker en zijn ex-partner:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2026,
allen wonende te [postcode] [woonplaats] , [straatnaam] ,
hierna gezamenlijk: de achterblijvers,
1 Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 14 juli 2026 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker.
In de herstelbeschikking van 14 juli 2026 heeft verweerder de belangrijkste signalen die hebben geleid tot de oplegging van het huisverbod en de daaraan voorafgaande belangenafweging van de hulpofficier van justitie opgenomen.
Bij brief van 17 juli 2026 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2026.
Aanwezig waren:
? verzoeker en zijn gemachtigde;
? verweerder, vertegenwoordigd door mr. S. Ercan;
? Veilig Thuis, vertegenwoordigd door [naam] .
Achterblijfster is niet verschenen.
2 Beslissing
De voorzieningenrechter:
? verklaart het beroep gegrond,
? vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven tot 23 juli 2026 om 9:00 uur,
? veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-,
? wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
3 Overwegingen
Wettelijk kader
De rechtbank neemt de relevante wettelijke bepalingen op in de bijlage.
Weergave bestreden besluit, verzoek en beroep
Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning van achterblijvers (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.
Het verzoek strekt ertoe de rechtsgevolgen van het bestreden besluit te schorsen voor de resterende duur van het bestreden besluit, dan wel het bestreden besluit te vernietigen indien nader onderzoek niet kan bijdragen aan beoordeling van de zaak, subsidiair een begeleid ophaalmoment in te plannen waarbij verzoeker zijn benodigde spullen kan ophalen, met vergoeding van de door hem redelijk gemaakte kosten.
Het beroep strekt ertoe het bestreden besluit te vernietigen en het huisverbod en contactverbod met zijn kinderen op te heffen, met vergoeding van door hem gemaakte redelijke kosten in verband met dit beroep.
Kortsluiten
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.
Toetsing ex tunc
Verzoeker voert aan dat geen sprake was van (ernstig en onmiddellijk) gevaar vanuit hem jegens achterblijfster.
Vaststaat dat er tussen verzoeker en achterblijfster sprake is geweest van een ruzie, waarbij achterblijfster aantoonbaar letsel heeft opgelopen. Een van de verbalisanten heeft letsel vastgesteld en foto’s genomen van het letsel. Daarmee is een situatie geweest die in ieder geval bedreigend is geweest en waarbij de zesjarige dochter van partijen aanwezig is geweest. Dit wordt door verzoeker ook niet betwist. Het is goed mogelijk dat het geweld of de dreiging mede vanuit achterblijfster kwam, maar de dreigende situatie tussen verzoeker en achterblijfster staat vast, wat betekent dat er een (ernstig vermoeden) van gevaar aanwezig was op het moment dat het huisverbod werd opgelegd. Dus was verweerder bevoegd een huisverbod op te leggen.
Volgens verzoeker had, bij de vraag aan wie het huisverbod had moeten worden opgelegd, de belangenafweging in zijn voordeel moeten uitvallen. Hij stelt immers niet de agressor te zijn geweest, terwijl het bovendien om zijn woning gaat waarvan hij de vaste lasten betaalt.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de belangen van achterblijfster, die hoofdverzorgster is van de kinderen en die psychisch kwetsbaar is door een burn-out en door de klachten van een postnatale depressie, heeft kunnen laten prevaleren boven die van verzoeker, die desgevraagd heeft verteld dat hij bij de oplegging van een huisverbod bij zijn moeder terecht kon.
Verweerder heeft dus in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid tot het opleggen van een huisverbod en heeft dit huisverbod aan verzoeker kunnen opleggen.
Toetsing ex nunc
Tenslotte moet worden beoordeeld of er aanleiding bestaat het huisverbod op dit moment op te heffen.
Ter zitting is gebleken dat de medewerker van Veilig Thuis gisteren telefonisch van achterblijfster heeft vernomen dat zij met de kinderen bij een vriendin buiten Rotterdam verblijft, met name omdat de zesjarige dochter van verzoeker en achterblijfster op dit moment niet naar de woning terug durft gelet op het incident van 13 juli 2026. Het verblijf van achterblijfster met de kinderen buiten Rotterdam is mogelijk omdat de dochter in verband met de zomervakantie niet naar school hoeft. Ook heeft achterblijfster in dit telefoongesprek gezegd dat zij nog niet weet of en wanneer zij terug wil naar de woning en dat zij voorlopig geen contact wil met verzoeker.
Daarnaast is ter zitting gebleken dat verzoeker herstellend is van een recente operatie en bij zijn moeder op de bank slaapt, wat niet bevorderlijk is voor zijn herstel.
Verder heeft verzoeker tijdens de zitting toegezegd dat hij voorlopig - in afwachting van het partnergesprek dat volgens de medewerker van Veilig Thuis ook na opheffing van het huisverbod kan worden georganiseerd - geen contact zal opnemen met achterblijfster. Ook heeft hij toegezegd dat hij, voor zover hij contact wil met zijn kinderen, dit via zijn advocaat zal regelen. In reactie op deze nieuwe informatie van verzoeker heeft verweerder verklaard te twijfelen of het huisverbod moet worden verlengd en heeft hij zich voor wat betreft de handhaving van het huisverbod gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter.
Wat betreft het standpunt van verzoeker dat hij graag contact wil met de kinderen, heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat het feit dat er tot op heden geen contact heeft plaatsgevonden tussen verzoeker en de kinderen komt doordat verweerder dit te laat heeft opgepakt en jeugdzorg tot op heden niet heeft gereageerd.
Alle belangen afwegend is de voorzieningenrechter van oordeel dat tot vernietiging van het huisverbod moet worden overgegaan, omdat het gevaar niet langer aanwezig is. Achterblijfster is immers uit de woning vertrokken en lijkt voorlopig niet van plan te zijn terug te keren, terwijl verzoeker in verband met zijn medische toestand belang heeft bij terugkeer in de woning die nu leeg staat. Daarbij is ook in aanmerking genomen dat zowel achterblijfster als verzoeker hebben aangegeven geen contact met elkaar te willen.
Het voorgaande betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is.
De voorzieningenrechter vernietigt bestreden besluit en laat de rechtsgevolgen in stand tot 23 juli 2026 om 9:00 uur.
Omdat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doet in de hoofdzaak, wordt het verzoek om voorlopige voorziening gericht tegen het betreden besluit afgewezen.
Proceskosten
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op totaal 2 punten met een waarde per punt van € 934,-. De proceskostenveroordeling in beide procedures samen is daarom € 1.868,-.
Indien aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet het bedrag van de kosten worden betaald aan de rechtsbijstandverlener.
|
Aldus gedaan door mr. M.C. Woudstra, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, en door deze en mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, ondertekend. De griffier: De voorzieningenrechter: |
||
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden op:
Bijlage
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Op grond van artikel 3:46 van de Awb moet een besluit berusten op een deugdelijke motivering.
Op grond van artikel 3:47, eerste lid van de Awb wordt de motivering vermeld bij de bekendmaking van het besluit. Op grond van het derde lid verstrekt het bestuursorgaan de motivering binnen een week na de bekendmaking van het besluit als de motivering in verband met de vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van het besluit kan worden vermeld.
Op grond van artikel 3:50 van de Awb wordt, indien het bestuursorgaan een besluit neemt dat afwijkt van een met het oog daarop krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, zulks met de redenen voor de afwijking in de motivering vermeld.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, als het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan als beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
Wet tijdelijk huisverbod (Wth)
Op grond van artikel 2, vierde lid, van de Wth bevat het huisverbod in ieder geval een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor het geldt, de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van het huisverbod en de namen van de personen ten aanzien van wie het verbod om contact op te nemen geldt.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.