Verbintenissenrecht
Betrokkene was persoonlijk failliet. Betrokkene had twee levensverzekeringen die verpand waren aan de bank in…
Rechtbank Rotterdam, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14822 · Rechtbank Rotterdam · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-14822
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/716557 / HA ZA 26-246
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. H. Weisfelt, mr. A.J.H. Peters, mr. J.W. Achterberg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14822
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Betrokkene was persoonlijk failliet. Betrokkene had twee levensverzekeringen die verpand waren aan de bank in verband met een woningfinanciering. De deurwaarder heeft beide polissen namens de bank afgekocht, nadat de woningschuld al was afgelost en het pandrecht was tenietgegaan. De afkoopwaarde is in de boedel gevloeid. Betrokkene houdt de deurwaarder en de bank aansprakelijk en vordert schadevergoeding. De rechtbank wijst de vordering af. Als de verzekeringen niet door de bank waren afgekocht, had de curator dat gedaan met hetzelfde resultaat. Geen schade. Geen kansschade. Art. 22a Fw. Onredelijke benadeling.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/716557 / HA ZA 26-246
Vonnis van 21 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. H. Weisfelt,
tegen
1 [gedaagde],
te Rotterdam,
advocaat: mr. A.J.H. Peters,
hierna te noemen: [gedaagde],
2. ABN AMRO BANK N.V.,
te Amsterdam,
advocaat: mr. J.W. Achterberg,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: ABN AMRO.
1 De zaak in het kort
[eiser] had twee levensverzekeringspolissen die aan ABN AMRO waren verpand in verband met een woningfinanciering. Tijdens het faillissement van [eiser] heeft [gedaagde] namens ABN AMRO de twee polissen van [eiser] afgekocht. De afkoopwaarde is in de boedel gevloeid. ABN AMRO was op het moment van de afkoop echter geen pandhouder meer en zij was niet bevoegd om de polissen af te kopen. [eiser] vordert schadevergoeding. De vordering wordt afgewezen, omdat [eiser] geen schade heeft geleden. Als ABN AMRO de polissen niet had afgekocht, zou de curator dat hebben gedaan. De kans dat [eiser] hiertegen met succes had kunnen opkomen is niet reëel. Er is geen grond om kansschade te vergoeden.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 februari 2026 met producties 1-25;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] van 29 april 2026 met producties 1-4;
- de conclusie van antwoord van ABN AMRO van 29 april 2026 met producties 1-7;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aanvullende producties 26-35 van [eiser];
- de spreekaantekeningen van [eiser] en [gedaagde] voor de mondelinge behandeling op 7 oktober 2026;
- de mondelinge behandeling op 7 oktober 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Na de mondelinge behandeling is vonnis bepaald.
3 De feiten
Ten aanzien van [eiser] is bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 7 juni 2018 de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
Bij vonnis van 8 mei 2019 heeft de rechtbank Den Haag de schuldsanering beëindigd en is [eiser] failliet verklaard. [naam] is benoemd tot curator.
Tot de boedel behoorde een aandeel in het woonhuis dat [eiser] samen met zijn toenmalige echtgenote in eigendom had.
De woning was gefinancierd met een lening van ABN AMRO. Tot zekerheid voor de terugbetaling van de woningschuld had ABN AMRO zich de rechten uit twee verzekeringspolissen laten verpanden. Het ging om een polis bij Reaal, op naam van [eiser] als verzekeringsnemer en enige begunstigde, en een polis bij ABN AMRO, op naam van [eiser] en zijn voormalige echtgenote als verzekeringsnemers en begunstigden.
De woning is door de curator verkocht. Levering vond plaats bij akte van 2 februari 2021. Uit de koopprijs is de lening van ABN AMRO afgelost. Het pandrecht op beide polissen is hierdoor vervallen.
Na de levering heeft ABN AMRO beide polissen afgekocht. De afkoopwaarde van de Reaal-polis en de ABN AMRO-polis is aanvankelijk betaald op een rekening van de incassogemachtigde van ABN AMRO. [gedaagde] heeft ABN AMRO hierbij vertegenwoordigd.
De curator heeft vervolgens de afkoopwaarde van de Reaal-polis en de helft van de afkoopwaarde van de ABN AMRO opgeëist en die afkoopwaarde is in de boedel gevloeid.
De curator is op 4 mei 2025 overleden.
4 Het geschil
[eiser] vordert - samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde] en ABN AMRO onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij hoofdelijk worden veroordeeld tot het vergoeden van de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige afkoop van de twee polissen, nader op te maken bij staat.
[gedaagde] en ABN AMRO voeren verweer. [gedaagde] en ABN AMRO concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van deze vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
5 De beoordeling
De standpunten van partijen
[eiser] heeft het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De polissen zijn door [gedaagde] namens ABN AMRO afgekocht, nadat ABN AMRO haar hoedanigheid van pandhouder was kwijtgeraakt. ABN AMRO was daardoor niet langer bevoegd tot afkoop. [gedaagde] heeft bovendien een brief van 18 december 2020 geantedateerd, waarmee zij probeerde te voldoen aan de eis van artikel 7:984 lid 1 BW. Daarin staat dat afkoop alleen mogelijk is nadat de pandhouder de verzekeringnemer tenminste vier weken van te voren van zijn voornemen tot afkoop op de hoogte heeft gesteld. In werkelijkheid was [eiser] niet eens in verzuim. [gedaagde] heeft hierdoor onrechtmatig gehandeld en haar onrechtmatige daad moet aan ABN AMRO worden toegerekend. [gedaagde] en ABN AMRO zijn aansprakelijk voor dezelfde schade en daarom zijn zij hoofdelijk jegens [eiser] aansprakelijk. De schade bestaat uit de afkoopwaarde van € 55.000,00 en het rendement dat op de polissen gerealiseerd zou zijn als die niet waren afgekocht. De polissen vertegenwoordigen samen een waarde van € 124.731,00, aldus [eiser].
[gedaagde] voert verweer en heeft in dat verband het volgende aangevoerd. [eiser] was in verzuim vanaf de datum van het faillissement. Toen heeft ABN AMRO de lening opgeëist. Het is juist dat de beide polissen door ABN AMRO zijn afgekocht, nadat ABN AMRO haar hoedanigheid van pandhouder was kwijtgeraakt. [gedaagde] heeft dit gedaan, omdat de curator daarop aandrong. Het was aanvankelijk de bedoeling om de afkoopwaarde aan te wenden voor het terugbetalen van de lening, maar dat bleek niet meer mogelijk omdat de notaris de aflosnota al klaar had. Afkoop door ABN AMRO zou volgens de curator voor [eiser] fiscaal aantrekkelijker zijn geweest dan afkoop door de curator zelf. [gedaagde] heeft op instructie van de curator de afkoopwaarde op de boedelrekening laten overmaken voor zover die afkoopwaarde ook in de boedel thuishoorde. De curator heeft [gedaagde] en ABN AMRO bij brief van 15 juni 2021 gevrijwaard voor claims van [eiser] in verband met het afkopen van de polissen.
[gedaagde] erkent dat de brief van 18 december 2020 is geantedateerd. Dat heeft echter geen gevolgen gehad. Ook als [eiser] wel tijdig van het voornemen tot afkoop op de hoogte was gesteld, had hij de verzekeringen niet kunnen belenen om afkoop te voorkomen. Hij was immers failliet en kon niet meer over de verzekeringen beschikken.
Tenslotte heeft [gedaagde] betwist dat [eiser] schade heeft geleden. Als ABN AMRO de polissen niet had afgekocht, had de curator dat gedaan op de voet van artikel 22a Fw. Het was duidelijk dat de curator de polissen wilde afkopen, omdat hij hiertoe druk op [gedaagde] had uitgeoefend. De curator heeft ook verklaard dat hij tot afkoop zou zijn overgegaan als ABN AMRO dat niet zou hebben gedaan. Artikel 22a lid 1 aanhef en onder a Fw stond daaraan niet in de weg. Het ging in beide gevallen om een “kapitaalverzekering eigen woning” en niet om een oudedagsvoorziening. [eiser] heeft verklaard dat hij de polissen zelf had willen afkopen, hetgeen er ook op wijst dat hij door de afkoop niet onredelijk werd benadeeld, aldus [gedaagde].
ABN AMRO heeft aangevoerd dat de verkoop van de woning door de curator en de afkoop van de polissen door [gedaagde] grotendeels buiten haar om zijn gegaan. ABN AMRO is daarom niet aansprakelijk voor de gedragingen van [gedaagde]. ABN AMRO voert voor het overige dezelfde verweren als [gedaagde].
[eiser] heeft hierop als volgt gereageerd. De curator zou niet tot afkoop op de voet van artikel 22a Fw zijn overgegaan. Hij heeft om hem moverende redenen ervoor gekozen om ABN AMRO te laten afkopen. Als de curator dat zelf had willen doen, zou hij daarvoor de toestemming nodig hebben gehad van de rechter-commissaris. Door toedoen van [gedaagde] en ABN AMRO is [eiser] de mogelijkheid ontnomen om op de voet van artikel 67 Fw tegen het verlenen van die toestemming op te komen. [eiser] is door afkoop onredelijk benadeeld, omdat de polissen een verzorgingskarakter kennen. Op die gronden zouden de polissen buiten de boedel zijn gevallen. [eiser] was arbeidsongeschikt geraakt, waardoor hij geen nieuwe levensverzekering kon sluiten. Hij had de polissen willen omzetten naar een oudedagsvoorziening of de uitkeringen willen gebruiken om lijfrentes aan te kopen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Het staat vast dat [gedaagde] onzorgvuldig heeft gehandeld door de polissen namens ABN AMRO af te kopen, nadat ABN AMRO hiertoe de bevoegdheid had verloren. [gedaagde] had moeten begrijpen dat als gevolg van het aflossen van de lening het pandrecht op de twee polissen was tenietgegaan en ABN AMRO daardoor niet langer als pandhouder tot afkoop bevoegd was. Dat de curator na het aflossen van de lening zou hebben aangedrongen op afkoop door ABN AMRO is, als dat inderdaad is gebeurd, geen excuus. De curator heeft overigens betwist dat hij hierop heeft aangedrongen. Dat staat in een brief van 11 augustus 2021 aan de Orde van Advocaten, waarmee de curator op een door [eiser] tegen hem gerichte klacht heeft gereageerd.
Dat [gedaagde] een geantedateerde brief heeft verstuurd om ten onrechte de suggestie te wekken dat [eiser] de op grond van artikel 7:984 BW vereiste vooraankondiging van vier weken had gekregen, is meer dan onzorgvuldig. In zoverre heeft [eiser] een punt. [gedaagde] heeft hiervoor bij email van 4 mei 2021 haar excuses aan [eiser] aangeboden.
[eiser] heeft echter geen schade geleden als gevolg van de gedragingen van [gedaagde]. [gedaagde] en ABN AMRO hebben aangevoerd dat als de polissen niet door ABN AMRO zouden zijn afgekocht, de curator dat zou hebben gedaan op de voet van artikel 22a Fw. De curator heeft dat in een brief aan [gedaagde] van 15 juni 2021 en ook in de brief aan de Orde van Advocaten van 11 augustus 2021 uitdrukkelijk verklaard. Dat ligt ook in de rede, omdat de boedel hierbij evenzeer zou zijn gebaat als nu het geval is geweest. [eiser] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Als de curator tot afkoop zou zijn overgegaan, was de afkoopwaarde van de Reaal-polis en de helft van de afkoopwaarde van de ABN AMRO-polis in de boedel gevloeid, net zoals dat is gebeurd als gevolg van de afkoop door ABN AMRO. [eiser] had de afkoopwaarde in geen geval zelf mogen houden. Hij heeft daarom geen schade geleden.
Het is juist dat voor afkoop door de curator de toestemming van de rechter-commissaris vereist zou zijn geweest, maar [eiser] heeft niet onderbouwd gesteld dat die toestemming in dit geval zou zijn onthouden. [eiser] heeft wel aangevoerd dat hij de mogelijkheid zou hebben gehad om die toestemming op grond van artikel 67 Fw in hoger beroep aan te vechten, omdat hij door de afkoop onredelijk werd benadeeld. Die kans is hem onthouden. De rechtbank oordeelt dat er wel een causaal (sine qua non) verband bestaat tussen de bestreden gedragingen van [gedaagde] en het verlies op de kans om de toestemming van de rechter-commissaris aan te vechten, maar dat het niet gaat om een reële (dat wil zeggen niet zeer kleine) kans op succes. Om die reden is er ook geen sprake van schade, bestaande uit het verlies van een kans (kansschade). De rechtbank licht dat als volgt toe.
Uitgangspunt bij de regeling van artikel 22a Fw is dat levensverzekeringen uitwinbaar zijn. De maatstaf ‘onredelijke benadeling’ staat toe dat levensverzekeringen die niet of niet geheel nodig zijn ter verzorging van de oude dag of van nabestaanden, geheel of gedeeltelijk kunnen worden uitgewonnen. Onredelijke benadeling moet niet te snel worden aangenomen, omdat de schuldenaar met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schulden. [eiser] heeft niet betwist dat beide polissen een “kapitaalverzekering eigen woning” betroffen. De polissen zijn aangegaan om de terugbetaling van de lening van ABN AMRO zeker te stellen. Dergelijke polissen zijn niet of niet geheel nodig ter verzorging van de oude dag of van nabestaanden. Hoger beroep tegen de toestemming van de rechter-commissaris om een dergelijke polis af te kopen is om die reden in een eerder geval tevergeefs gebleken. De rechtbank volgt [eiser] niet in het betoog dat de feiten in zijn geval anders liggen, doordat hij arbeidsongeschikt was geraakt en voornemens was om de polissen na het aflossen van zijn woningfinanciering te gebruiken voor een oudedagsvoorziening. Het moet gaan om verzekeringen, waaraan bij het aangaan een verzorgingselement ten grondslag heeft gelegen. De mogelijkheid dat een eventuele uitkering op termijn ook voor levensonderhoud wordt gebruikt, is niet genoeg. De kans dat het [eiser] zou zijn gelukt om de afkoop tegen te houden is dus te klein.
Indien de gedragingen van [gedaagde] geen schade hebben veroorzaakt, dan zijn zij ook niet onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW. Het is in dat geval niet nodig om te beoordelen of die gedragingen ook als een onrechtmatige daad aan ABN AMRO zijn toe te rekenen. Dat betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten van ABN AMRO betalen
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom in beginsel de proceskosten (inclusief nakosten) betalen (artikel 237 lid 1 Rv). De rechtbank ziet echter in hetgeen hiervoor onder 5.8 en 5.9 is overwogen reden om de proceskosten tussen [eiser] en [gedaagde] te compenseren.
De proceskosten van ABN AMRO worden elk begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
735,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.306,00 |
(2 punten × € 653,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.230,00 |
6 De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eiser] af,
compenseert de proceskosten tussen [eiser] en [gedaagde] zo dat elke partij de eigen proceskosten draagt,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van ABN AMRO van € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
|
6.4. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026. 3669/ 3914 |
||