Verbintenissenrecht
Huurrecht - vordering tot ontruiming en vergoeding van (achterstallige) huur toegewezen bij verstek.
Rechtbank Rotterdam, 26 januari 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:1310 · Rechtbank Rotterdam · 26 januari 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2022-1310
Zaakgegevens
Op 26 januari 2022 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 26 januari 2022
- Datum publicatie
- 23 februari 2022
- Zaaknummer
- 9584370 VV EXPL 21-517
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2022:1310
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Huurrecht - vordering tot ontruiming en vergoeding van (achterstallige) huur toegewezen bij verstek.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 9584370 VV EXPL 21-517
uitspraak: 26 januari 2022
vonnis in kort geding van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats eiser],
eiser,
gemachtigde: mr. W. Suttorp,
tegen:
[gedaagde],
wonende te [woonplaats gedaagde],
gedaagde,
die niet in de procedure is verschenen,
Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’.
1. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 24 december 2021, met producties.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 januari 2022. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Aan de zijde van [eiser] is verschenen de vrouw van [eiser] ([naam]) en als gemachtigde de heer mr. W. Suttorp. [gedaagde] is zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.
De datum van deze uitspraak is bepaald op heden.
2. De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.
[gedaagde] huurt sinds 2 februari 2020 de woning aan de [adres] van [eiser]. De huurprijs bedraagt op dit moment € 1.150,- per maand. Partijen zijn overeengekomen dat de huur bij vooruitbetaling moet worden voldaan.
In de betaling van de huur is een achterstand ontstaan.
3. De vordering
[eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te veroordelen om het gehuurde binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en te verlaten met alle zaken en personen die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden, onder afgifte van de sleutels aan [eiser] en met machtiging van [eiser] om, indien [gedaagde] in gebreke blijft te ontruimen, deze zelf door de deurwaarder te doen bewerkstelligen;
II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 5.835,- tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 5.200,- vanaf de vervaldata van de termijnen tot aan de dag van algehele voldoening;
III. [gedaagde] te veroordelen om vanaf 1 januari 2021 tot aan het moment van de ontruiming € 1.150,- per maand, en voor een gedeelte van een maand een pro rata berekenen gedeelte van deze som, te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vervaldata van de termijnen tot aan de dag van algehele voldoening;
IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
[eiser] legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [gedaagde] schiet ernstig te kort in de nakoming van zijn verbintenissen uit de huurovereenkomst door de verschuldigde huur niet tijdig te betalen. Het bedrag van € 5.835,- is gebaseerd op € 5.200,- aan huurachterstand tot en met december 2021 en € 635,- aan buitengerechtelijke kosten. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt ontruiming van het gehuurde in kort geding, aldus [eiser].
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij ontruiming van het gehuurde omdat [gedaagde] al meer dan vier maanden de huur niet betaalt en [eiser] de woning in de tussentijd niet aan een derde kan verhuren. [eiser] lijdt daardoor ernstige schade. Om verdere huurachterstand en schade aan de zijde van [eiser] te voorkomen heeft [eiser] een spoedeisend belang bij de vorderingen.
4. De beoordeling
[gedaagde] is op 12 januari 2022, hoewel daartoe deugdelijk te zijn opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen en heeft geen verweer gevoerd. De kantonrechter stelt vast dat bij de dagvaarding de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen. Tegen [gedaagde] is daarom verstek verleend.
De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Voldoende is gebleken dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorzieningen, zodat hij ontvankelijk is in zijn vordering. Van [eiser] hoeft niet te worden verlangd dat hij een bodemprocedure afwacht.
De vordering van [eiser] komt de kantonrechter, mede gelet op de overgelegde producties, niet ongegrond of onrechtmatig voor en zal dan ook worden toegewezen, zij het dat de kantonrechter het onder III. gevorderde leest als “vanaf 1 januari 2022”.
De gevorderde machtiging om de deurwaarder te kunnen laten ontruimen wordt afgewezen, nu de wet hiertoe de deurwaarder reeds machtigt.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
5. De beslissing
De kantonrechter:
treft de volgende voorlopige voorzieningen:
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde gelegen aan de [adres] te ontruimen en te verlaten met alle zaken en personen die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden, onder afgifte van de sleutels aan [eiser];
veroordeelt [gedaagde] aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.835,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over een bedrag van € 5.200,- vanaf de vervaldata van de termijnen tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 januari 2022 tot aan het moment van de ontruiming € 1.150,- per maand, en voor een gedeelte van een maand een pro rata te berekenen gedeelte van deze som, te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de vervaldata van de termijnen tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 240,- aan griffierecht, € 121,39 aan dagvaardingskosten en € 996,- (2 punten maal € 498,- per punt) aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E. van Schouten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
44236