Verbintenissenrecht
Kort geding aanneming van werk.
Rechtbank Rotterdam, 28 maart 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:5041 · Rechtbank Rotterdam · 28 maart 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2025-5041
Zaakgegevens
Op 28 maart 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 28 maart 2025
- Datum publicatie
- 25 april 2025
- Zaaknummer
- 11541238 VV EXPL 25-88
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2025:5041
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding aanneming van werk.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11541238 VV EXPL 25-88
datum uitspraak: 28 maart 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats: Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: mr. B.V. Rafaela,
tegen
[gedaagde] ,
die handelt onder de namen [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2],
woonplaats: Rozenburg,
gedaagde,
gemachtigde: N. Agayev LLM.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [naam bedrijf 1] ’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
-
de dagvaarding van 28 februari 2025, met bijlagen;
-
de e-mails van de gemachtigde van [naam bedrijf 1] van 13 maart 2025, met bijlagen;
-
de e-mail van gemachtigde van [eiseres] van 14 maart 2025, met bijlagen;
-
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [naam bedrijf 1] .
Op 14 maart 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
-
[eiseres] , bijgestaan door de gemachtigde;
-
[gedaagde] , voornoemd, en de heer [persoon A] , werkzaam bij [naam bedrijf 1] Bouw en Aannemersbedrijf , bijgestaan door de gemachtigde.
2 De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[eiseres] heeft [naam bedrijf 1] benaderd om haar nieuwe woning te verbouwen. In augustus 2024 hebben zij een overeenkomst van aanneming van werk met elkaar gesloten. Nadat [naam bedrijf 1] meermaals de geplande opleverdatum niet heeft gehaald, heeft [eiseres] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden wegens wanprestatie. In deze zaak eist zij terugbetaling van de betaalde aanneemsom met rente en betaling van een gefixeerde schadevergoeding met rente. Ook eist zij betaling van buitengerechtelijke- en proceskosten. [naam bedrijf 1] is het daar niet mee eens.
Spoedeisend belang
Bij de beoordeling van een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats. Om een dergelijke vordering in kort geding te kunnen toewijzen is nodig dat die vordering in voldoende mate vaststaat. Ook moet er sprake zijn van omstandigheden die meebrengen dat, vanwege een grote mate van spoedeisendheid, een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Ten slotte moet rekening worden gehouden met het risico dat de eiseres het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval zij in de bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld.
Het is aan [eiseres] als eisende partij om te stellen en te onderbouwen dat zij een spoedeisend belang heeft bij de eisen die zij instelt. Slechts indien het in hoge mate aannemelijk is dat de geldvordering door de bodemrechter zal worden toegewezen, bestaat er aanleiding minder strenge eisen aan de spoedeisendheid te stellen. Daarvan is in deze zaak geen sprake. De kantonrechter constateert dat partijen onder meer strijden over de vraag of de buitengerechtelijke ontbinding door eiseres in rechte stand kan houden, nu geen ingebrekestelling is verzonden. Ook op andere cruciale punten is door gedaagde uitgebreid verweer gevoerd. Op basis van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, kan de kantonrechter in dit kort geding geen inhoudelijke beslissing over de eisen nemen. Daarvoor zou verder onderzoek en mogelijk nadere bewijslevering nodig zijn en een kort gedingprocedure leent zich daar niet voor. Bovendien volgt uit de eigen stellingen van [eiseres] dat sprake is van een hoog restitutierisico en heeft [eiseres] het gestelde spoedeisende belang niet met stukken onderbouwd. Het voorgaande maakt dat geen spoedeisend belang kan worden aangenomen. De eis wordt daarom afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan [naam bedrijf 1] moet betalen op € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 678,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.