Verbintenissenrecht
Rechtbank Rotterdam · Kort geding · Verbintenissenrecht
Rechtbank Rotterdam, 11 augustus 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:10204 · Rechtbank Rotterdam · 11 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2026-10204
Zaakgegevens
Op 11 augustus 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 11 augustus 2026
- Datum publicatie
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/10/723624 / KG ZA 26-776
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J.F.J. van den Hoek te [woonplaats]
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:10204
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
KG. Nietige dagvaarding.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/723624 / KG ZA 26-776
Vonnis in kort geding van 11 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
wonend in [woonplaats],
eiseres,
advocaat: mr. J.F.J. van den Hoek te [woonplaats],
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats],
gedaagde,
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 juli 2026, met producties 0 t/m 2;
- de mondelinge behandeling op 7 augustus 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling van de dagvaarding
Partijen zijn met elkaar getrouwd en wonen samen in de echtelijke woning in [woonplaats]. Gedaagde staat ook ingeschreven op het adres van die woning.
Omdat partijen de woning met elkaar delen, moet de oproeping van gedaagde plaatsvinden conform artikel 57 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dat houdt in dat de betekening van de dagvaarding aan gedaagde in persoon geschiedt. Als dat niet mogelijk is, handelt de deurwaarder overeenkomstig artikel 47 Rv – kort gezegd: het afgeven van een afschrift van het exploot aan een huisgenoot; als dat niet kan, het achterlaten van een afschrift aan de woonplaats in een gesloten envelop; en, als dat onmogelijk is, een afschrift ter post – en doet hij bovendien een afschrift van het exploot toekomen aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij (in dit geval) deze rechtbank.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de oproeping van gedaagde niet heeft plaatsgevonden conform artikel 57 Rv. De dagvaarding is uitsluitend betekend – in de zin van achtergelaten in een gesloten envelop – op het (gestelde) woonadres van de moeder van gedaagde. In het exploot is vermeld dat gedaagde feitelijk op dat adres verblijft in verband met een huisverbod.
Voor zover eiseres meent dat het exploot kon worden betekend aan het werkelijk verblijf van gedaagde op grond van artikel 54 lid 1 Rv, volgt de voorzieningenrechter haar daar niet in. Die bepaling is van toepassing op de situatie dat van de gedaagde partij de woonplaats in Nederland niet bekend is, wat hier niet aan de orde is. Overigens heeft eiseres niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat gedaagde daadwerkelijk verblijft bij zijn moeder. In het exploot van dagvaarding staat ook niet toegelicht op grond waarvan de deurwaarder heeft aangenomen dat gedaagde zijn werkelijke verblijfplaats bij zijn moeder heeft.
De conclusie is dat het exploot van dagvaarding lijdt aan een gebrek. Aannemelijk is dat het exploot als gevolg van dat gebrek gedaagde niet heeft bereikt. Om die reden spreekt de voorzieningenrechter op de voet van artikel 121 lid 3 Rv de nietigheid van het exploot uit.
Eiseres is in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van de procedure. De proceskosten van gedaagde worden begroot op nihil.