Verbintenissenrecht
KG. Vordering tot opheffing conservatoir beslag wordt toegewezen vanwege strijd met artikel 21 Rv en…
Rechtbank Rotterdam, 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:13292 · Rechtbank Rotterdam · 2 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2026-13292
Zaakgegevens
Op 2 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Datum publicatie
- 5 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/725111 / KG ZA 26-890
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:13292
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
KG. Vordering tot opheffing conservatoir beslag wordt toegewezen vanwege strijd met artikel 21 Rv en summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/725111 / KG ZA 26-890
Vonnis in kort geding van 2 oktober 2026
in de zaak van
SMART STEEL LTD,
gevestigd in Limassol (Cyprus),
eiseres,
advocaten: mr. S. von Dewall te Parijs en mr. T.F.B. Jansen te Rotterdam,
tegen
1 [bedrijf A] ,
2. [bedrijf B],
beide gevestigd in [vestigingsplaats] (Cyprus),
gedaagden,
vertegenwoordigd door [persoon A] .
Partijen worden hierna Smart Steel, [bedrijf A] en [bedrijf B] genoemd.
Gedaagden worden gezamenlijk aangeduid als [bedrijf A]
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, die later alsnog is betekend op 24 september 2026;
- de 40 producties van Smart Steel;
- de conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling op 25 september 2026;
- de pleitaantekeningen van Smart Steel.
[bedrijf A] hebben in de ochtend van 24 september 2026 de voorzieningenrechter verzocht de zittingsdatum van 25 september 2026 te verplaatsen, omdat hun advocaat zich had onttrokken. Smart Steel heeft daartegen gemotiveerd bezwaar gemaakt.
De voorzieningenrechter zag onvoldoende reden om de zitting te verplaatsen en heeft het uitstelverzoek afgewezen.
In de middag van 24 september 2026 hebben [bedrijf A] een conclusie van antwoord, met 13 producties, ingediend. Ter zitting heeft Smart Steel bezwaar gemaakt tegen die stukken en de voorzieningenrechter verzocht aan die stukken voorbij te gaan. De voorzieningenrechter heeft daarop bepaald dat de conclusie van antwoord wordt toegelaten, maar dat de 13 producties van [bedrijf A] , als te laat ingediend, buiten beschouwing worden gelaten.
2. De feiten
Smart Steel is houder van 23,76% van de aandelen in Metinvest B.V. (hierna: Metinvest).
[bedrijf A] was houder van 11,5547% van de aandelen in [bedrijf C] (hierna: [bedrijf C] ). [bedrijf B] was houder van alle aandelen in [bedrijf C] (hierna: [bedrijf C] ). De UBO van [bedrijf A] en [bedrijf B] is [persoon C] (hierna: [persoon C] ).
In 2020 hebben [bedrijf A] , [bedrijf B] en [bedrijf C] bij de rechtbank in Limassol (Cyprus) een bodemprocedure aanhangig gemaakt, waarin zij schadevergoeding vorderen van tientallen (rechts)personen, waaronder Smart Steel (hierna: de Hoofdzaak).
Op 26 april 2024 hebben de gedaagden in de Hoofdzaak een verzoek (strike-out application) ingediend om de conclusie van eis (statement of claim) door te halen.
Op 7 mei 2025 heeft de rechtbank in Limassol de statement of claim doorgehaald en de eisers in de Hoofdzaak opgedragen om een nieuwe conclusie van eis in te dienen waarin de vastgestelde gebreken zijn hersteld. Op 21 mei 2025 hebben de eisers in de Hoofdzaak een herziene statement of claim ingediend. Op 12 augustus 2025 hebben de gedaagden in de Hoofdzaak een tweede strike-out application ingediend. Op dat verzoek is nog niet beslist.
Op 12 december 2024 hebben [bedrijf A] , [bedrijf B] en [bedrijf C] aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd om, ter verzekering van gestelde vorderingen op Smart Steel, conservatoir beslag te leggen op de aandelen die Smart Steel houdt in het kapitaal van Metinvest. Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat meerdere (rechts)personen, waaronder Smart Steel, door middel van (kort gezegd) fraude en corruptie, op onrechtmatige wijze de zeggenschap over de aandelen van [bedrijf A] en [bedrijf B] in [bedrijf C] respectievelijk [bedrijf C] hebben gekregen. Vervolgens hebben zij de activa van [bedrijf C] en [bedrijf C] te gelde gemaakt en het vermogen aan deze vennootschappen onttrokken. De verzoekers stellen daardoor schade te hebben geleden. Zij verwijten Smart Steel in het bijzonder dat zij Oekraïense ambtenaren heeft omgekocht om via vervalste documenten de statutaire documenten van [bedrijf C] en [bedrijf C] te wijzigen, waardoor [bedrijf B] en [bedrijf A] onrechtmatig van hun aandelenbelang werden beroofd.
Op 12 december 2024 heeft de beslagrechter het beslagrekest toegestaan als verzocht, waarbij de hoogte van de vorderingen is begroot op USD 4.125.642,50 voor [bedrijf A] , USD 120.107.539,20 voor [bedrijf B] en USD 25.448.739,80 voor [bedrijf C] .
Op 4 februari 2025 hebben [bedrijf A] , [bedrijf B] en [bedrijf C] op grond van het verlof ten laste van Smart Steel beslag laten leggen op haar aandelen in Metinvest (hierna: het Beslag).
Op 12 januari 2026 heeft de rechtbank in Kiev het faillissement van [bedrijf C] uitgesproken, de faillissementsprocedure geopend en [persoon B] (hierna: [persoon B] ) benoemd als curator.
Op 12 maart 2026 hebben de gedaagden in de Hoofdzaak (waaronder Smart Steel) een schikking getroffen met curator [persoon B] , op grond waarvan [bedrijf C] haar vordering in de Hoofdzaak heeft ingetrokken en haar deel in het gelegde conservatoir beslag in Nederland heeft laten opheffen.
3. Het geschil
Smart Steel vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. het door [bedrijf A] ten laste van Smart Steel gelegde Beslag op te heffen;
b. [bedrijf A] hoofdelijk te veroordelen om binnen één week na betekening van dit vonnis
al datgene te doen wat nodig is om het Beslag feitelijk opgeheven te krijgen en de gevolgen daarvan ongedaan te maken, onder overlegging van een afschrift daarvan aan de advocaat van Smart Steel, op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [bedrijf A] nalaten aan deze verplichting te voldoen, tot een maximum van € 1.000.000,00;
c. [bedrijf A] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief de volledige door Smart Steel gemaakte advocaat- en proceskosten, voorlopig begroot op ten minste € 70.000,00 te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.
[bedrijf A] concluderen primair tot afwijzing van de vorderingen. Subsidiair verzoeken zij het Beslag uitsluitend op te heffen onder de voorwaarde dat Smart Steel zekerheid stelt door afgifte van bankgaranties ten gunste van [bedrijf A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Smart Steel in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4 De beoordeling
Smart Steel legt aan de vordering tot opheffing van het Beslag drie gronden ten grondslag:
-
[bedrijf A] hebben de waarheidsplicht zoals bedoeld in artikel 21 Rv geschonden;
-
de gepretendeerde vorderingen van [bedrijf A] op Smart Steel zijn summierlijk ondeugdelijk;
-
[bedrijf A] maken met het leggen van Beslag misbruik van bevoegdheid.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de eerste twee gronden doel treffen en om die redenen een opheffing van het beslag rechtvaardigen. Dat wordt hierna toegelicht.
Strijd met artikel 21 Rv
Partijen zijn op grond van artikel 21 Rv verplicht voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Voor een beslagrekest geldt in het bijzonder dat de verzoeker de informatie die relevant is voor een goede beoordeling van de zaak, verstrekt. Zeker nu in beginsel ex-parte (zonder dat de gerekwestreerde eerst wordt gehoord) op een beslagrekest wordt beslist, kan misleiding door onvoldoende toelichting in het beslagrekest de voorzieningenrechter reden geven om een latere vordering tot opheffing van het beslag reeds om die reden toe te wijzen.
Het beslagverzoek is volledig gebaseerd op een legal opinion en de eerste in 2.3. bedoelde statement of claim (producties 6 en 8 bij het beslagrekest) voor wat betreft het gestelde onrechtmatig handelen door Smart Steel, en de rapporten van Bureau of Economic and Legal Expertise (hierna: de BELE-rapporten, producties 10 en 11 bij het beslagrekest) voor wat betreft de hoogte van de geleden schade. Het verzoek bevat geen eigen uiteenzetting maar verwijst naar die stukken ter onderbouwing van de stellingen van [bedrijf A] Smart Steel heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat deze informatie op bepaalde punten onvolledig en/of onjuist is. De voorzieningenrechter wijst op de volgende omstandigheden.
In het beslagverzoek is ten aanzien van het standpunt van de gedaagden in de Hoofdzaak vermeld dat de gedaagden slechts beperkt verweer hebben gevoerd tegen de vorderingen en zich hoofdzakelijk bedienen van formele verweren. Die stelling blijkt nu onjuist en onvolledig. Ten tijde van het indienen van het beslagrekest op 12 december 2024 waren [bedrijf A] ermee bekend dat de gedaagden in de Hoofdzaak een strike-out application hadden ingediend om de conclusie van eis door te laten halen (zie 2.3.). In dat verzoek hebben gedaagden in de Hoofdzaak gewezen op fundamentele gebreken in de precisering en onderbouwing van de ingediende conclusie van eis. Het verweer had dus (ook) betrekking op het materiële geschil. Die informatie is van belang voor de beoordeling van het beslagverzoek, zodat [bedrijf A] de beslagrechter hadden moeten informeren over het feit dat de strike-out application was ingediend en over de uit dat verzoek blijkende standpunten van de gedaagden in de Hoofdzaak. Dat is niet gebeurd. Zij hebben voor de standpunten van de gedaagden in de Hoofdzaak enkel verwezen naar de legal opinion van hun Cypriotische advocaat, zonder nadere toelichting of precisering. Dat volstaat niet. Hieraan doet niet af dat de Cypriotische rechter ten tijde van de indiening van het beslagverzoek nog niet op de strike-out application had beslist.
Ten tijde van het beslagrekest was bij [bedrijf A] bekend dat de politie in Oekraïne een onderzoek was gestart naar verduistering door [persoon C] van vermogensbestanddelen van [bedrijf C] Trading House (een andere vennootschap van [persoon C] ) via [bedrijf C] , waarbij die vermogensbestanddelen vervolgens aan [bedrijf C] zijn onttrokken, een en ander in de periode van maart 2014 t/m januari 2015. [persoon C] is in dat kader sinds 16 augustus 2024 als verdachte aangemerkt. Deze informatie is van belang voor de verwijten die [bedrijf A] maken jegens Smart Steel. De periode waarin de vermeende strafbare handelingen van [persoon C] zouden hebben plaatsgevonden is namelijk dezelfde periode waarop de vorderingen van [bedrijf A] jegens Smart Steel betrekking hebben en zij zien ook op het onttrekken van het vermogen aan [bedrijf C] . Indien en voor zover zou komen vast te staan dat [persoon C] onrechtmatig gelden heeft onttrokken via [bedrijf C] , sluit dat in beginsel uit dat Smart Steel zich aan datzelfde handelen schuldig heeft gemaakt. Gelet daarop, had het op de weg gelegen van [bedrijf A] om het lopende politieonderzoek tegen [persoon C] te vermelden in het beslagrekest.
Aldus is sprake van een schending van artikel 21 Rv.
De vorderingen van [bedrijf A] zijn summierlijk ondeugdelijk
Smart Steel voert gemotiveerd en onderbouwd aan dat de verwijten die [bedrijf A] aan het adres van Smart Steel maken, onvoldoende bepaald zijn en bovendien niet zijn onderbouwd. [bedrijf A] hebben dat onvoldoende weerlegd. De voorzieningenrechter neemt de volgende omstandigheden in aanmerking.
Smart Steel betoogt terecht dat [bedrijf A] in de Hoofdzaak niet concreet maken dat en op welke wijze Smart Steel zich schuldig heeft gemaakt aan omkoping. Onduidelijk blijft hoe Smart Steel gelden heeft verstrekt, aan wie, om welke bedragen het gaat, wanneer die betalingen hebben plaatsgevonden en met welk oogmerk. Niet voor niets heeft de rechtbank in Limassol op 7 mei 2025 de (eerste) statement of claim doorgehaald. Zij heeft daarbij onder meer overwogen (productie E-10, p. 19):
“The Statement of Claim contains a wide/broad description of numerous alleged facts, formulated in such a way that it is not always clear to each Defendant which alleged act within the context of the alleged causes of action concerns them. There may be scattered references to specific defendants in some places, but in other places an unclear landscape is created as to whether other alleged acts concern each defendant. (…) It is, in this case, the set of problems that are identified scattered in the Statement of Claim and for which examples are given above, which lead the Court to the conclusion that the way in which the Statement of Claim was, in this case, drafted, places the Respondents’ side at a disadvantage while it is difficult and inproductive to correct the existing pleading.”
Ook in de herziene statement of claim is – zo op het eerste gezicht – niet gebleken dat [bedrijf A] de gestelde omkoping door Smart Steel, en daarmee dus haar betrokkenheid bij het gestelde onrechtmatige handelen, verduidelijken of onderbouwen.
Smart Steel heeft als verweer op de BELE-rapporten stukken overgelegd van het SPFU (de Oekraïense overheidsinstantie die is belast met het toezicht op en de regulering van professionele taxatie- en waarderingsactiviteiten) en de USA (een onafhankelijke beroepsorganisatie die zich richt op normstelling, opleiding en kwaliteitsborging binnen het Oekraïense taxatieberoep). In de rapporten van die instanties wordt geconcludeerd dat de personen achter het BELE-rapport niet beschikken over de vereiste kwalificaties voor het waarderen van schade als de onderhavige en dat de toegepaste waarderingsmethode ook niet voldoet aan de daaraan door de wet gestelde vereisten. Gelet op deze onderbouwde kritiek op de deugdelijkheid van de schadebegroting, had het op de weg van [bedrijf A] gelegen om met nadere toelichting op die begroting te komen of de begroting te voorzien van een onderbouwing die wel deugdelijk is. Dat hebben zij niet gedaan. In dit kort geding betekent dit dat niet kan worden uitgegaan van de door [bedrijf A] gepretendeerde schade.
Bovendien heeft Smart Steel verschillende rapporten overgelegd, die steun geven aan haar stelling dat er geen sprake is van door [bedrijf A] geleden schade. Ten aanzien van het aandelenbelang van [bedrijf B] in [bedrijf C] wordt verwezen naar twee rapporten die in opdracht van curator [persoon B] zijn opgesteld. Het gaat om het GALA-rapport van 23 oktober 2025 (productie E-15) en het SK-rapport van 30 januari 2026 (productie E-1). Beide rapporten concluderen dat [bedrijf C] in 2014 geen reële onderneming dreef, maar een lege huls was zonder eigen activa, personeel of infrastructuur, en waarvan de kasstromen dezelfde dag werden doorgesluisd. Ten aanzien van [bedrijf C] heeft Smart Steel het Ostrov-rapport van 16 juli 2025 (productie E-20) overgelegd, waarin is vastgesteld dat het aandelenbelang van [bedrijf A] in [bedrijf C] geen positieve waarde vertegenwoordigde. De conclusies van deze rapporten staan lijnrecht tegenover de conclusies van de BELE-rapporten.
[persoon B] heeft op basis van de het GALA- en SK-rapport besloten de vorderingen jegens Smart Steel in te trekken. Anders dan [bedrijf A] menen, is dat gegeven van belang voor de aannemelijkheid van hun vorderingen in de Hoofdzaak. Weliswaar had [bedrijf C] een zelfstandige vordering op Smart Steel, maar de voorzieningenrechter is het met Smart Steel eens dat de vordering van [bedrijf B] – die strekt tot vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het verlies van haar rechten als aandeelhouder van [bedrijf C] – een directe afgeleide is van de vordering van [bedrijf C] .
De stelling van [bedrijf A] dat de faillietverklaring van [bedrijf C] en de benoeming van de curator niet legitiem waren, is niet onderbouwd en evenmin aannemelijk. Smart Steel heeft, onder overlegging van de rechterlijke uitspraken (producties E-34 en E-35), naar voren gebracht dat zowel in beroep als in cassatie is bevestigd dat het besluit van de rechtbank in Kiev om [bedrijf C] failliet te verklaren en [persoon B] als curator aan te stellen op goede gronden berust.
Nadat de Oekraïense autoriteiten in augustus 2024 [persoon C] aanmerkten als verdachte in verband met zijn rol bij het frauduleus onttrekken van vermogensbestanddelen aan [bedrijf C] Trading House via [bedrijf C] , is [persoon C] op 24 juni 2025 formeel in staat van beschuldiging gesteld. Het gaat zoals gezegd om vermeende strafbare handelingen in dezelfde periode als die waarop de vorderingen van [bedrijf A] jegens Smart Steel betrekking hebben. De feiten waarvoor [persoon C] strafrechtelijk wordt vervolgd, laten zich moeilijk rijmen met de stellingen van [bedrijf A] over de onrechtmatige handelwijze van Smart Steel. De suggestie van [bedrijf A] dat het strafrechtelijk onderzoek tegen [persoon C] slechts op initiatief van de UBO van Smart Steel is geopend, acht de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd.
Voorgaande omstandigheden bij elkaar genomen, leiden tot de conclusie dat de vorderingen van [bedrijf A] jegens Smart Steel summierlijk ondeugdelijk zijn.
Belangenafweging
Nu [bedrijf A] in strijd hebben gehandeld met artikel 21 Rv, komt minder gewicht toe aan hun belang bij de instandhouding van het Beslag. Daar komt bij dat, zoals gezegd, sprake is van een summierlijk ondeugdelijke vordering. Verder heeft Smart Steel voldoende concreet onderbouwd dat Metinvest en de groep waartoe zij behoort in het kader van een omvangrijk investeringsproject in Italië bezig zijn met het aantrekken van financiering. Het ligt voor de hand dat het Beslag directe gevolgen heeft voor de voorwaarden waaronder externe financiering kan worden aangetrokken, zodat de Metinvest-groep (en dus ook Smart Steel) een zwaarwegend belang heeft bij opheffing van het Beslag. Een belangenafweging valt dus uit in het voordeel van Smart Steel.
Het Beslag wordt opgeheven
Dat betekent dat de voorzieningenrechter overgaat tot het opheffen van het Beslag. Er is geen grond om, zoals [bedrijf A] verzoeken, aan de opheffing van het Beslag de voorwaarde te verbinden dat Smart Steel zekerheid stelt.
De voorzieningenrechter ziet geen reden om daarnaast [bedrijf A] nog te veroordelen om al datgene te doen wat nodig is om het Beslag feitelijk opgeheven te krijgen. Smart Steel heeft gesteld dat zij belang heeft bij deze vordering, omdat de deurwaarder heeft geweigerd om het eerder door hem namens [bedrijf C] gelegde beslag te doen doorhalen in het aandeelhoudersregister van Metinvest, ondanks een directe instructie daartoe van [bedrijf C] . Dat probleem zal zich nu niet voordoen. Uit het bericht van de deurwaarder van 12 juni en 16 juli 2026 (producties E-27 en E-28) volgt dat de deurwaarder op basis van een beslissing van de rechtbank over zou zijn gegaan tot opheffing van het beslag. Een dergelijke uitspraak ontbrak toen echter. Nu ligt er wel een rechterlijke beslissing.
Proceskostenveroordeling
[bedrijf A] zijn overwegend in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Smart Steel betalen.
Voor een werkelijke kostenveroordeling is echter geen plaats. Dat vereist immers misbruik van procesrecht, waarbij het moet gaan om een evident ongegronde vordering in de zin van een op onjuiste feiten en omstandigheden gebaseerde vordering of een vordering gebaseerd op stellingen waarvan de eisende partij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Daar komt nog bij dat deze maatstaf terughoudend moet worden toegepast, vanwege het recht op toegang tot de rechter op grond van artikel 6 EVRM.
De stelling van Smart Steel dat [bedrijf A] , met de ondeugdelijke bewijsstukken die zij hebben, geen vordering hadden mogen instellen, gaat te ver, gelet op het fundamentele recht van [bedrijf A] op toegang tot de rechter. Evenmin is het handhaven van het Beslag, ondanks de tegenrapporten en het verweer van Smart Steel, aan te merken als misbruik van recht. Zolang in de Hoofdzaak nog niet is beslist, hebben [bedrijf A] belang bij de instandhouding van het Beslag als zekerheid voor de nakoming van hun vorderingen. Het oordeel dat de vorderingen van [bedrijf A] tegen Smart Steel met de voorliggende stukken summierlijk ondeugdelijk zijn, betekent nog niet dat er sprake is van een evident ongegronde vordering. [bedrijf A] hebben beslag mogen leggen op basis van een daartoe verleend verlof. Achteraf bezien was het beslagrekest gebrekkig onderbouwd, niettemin heeft de beslagrechter daar toen genoegen mee genomen. Hoewel [bedrijf A] bij het informeren van de beslagrechter in strijd heeft gehandeld met artikel 21 Rv, is die schending niet zodanig ernstig dat een werkelijke proceskostenveroordeling gerechtvaardigd is. Voor de kostenbegroting wordt derhalve het liquidatietarief toegepast.
De proceskosten van Smart Steel worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
151,94 |
|
|
- griffierecht |
€ |
735,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.252,94 |
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
heft op het op 4 februari 2025 ten laste van Smart Steel gelegde beslag op de aandelen van Metinvest;
veroordeelt [bedrijf A] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.252,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf A] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.
2091 / 1980