Verbintenissenrecht
Kort geding, huur, huurachterstand, ontbinding & ontruiming.
Rechtbank Rotterdam, 11 augustus 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14109 · Rechtbank Rotterdam · 11 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2026-14109
Zaakgegevens
Op 11 augustus 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 11 augustus 2026
- Datum publicatie
- 16 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12286739 VV EXPL 26-382
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14109
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding, huur, huurachterstand, ontbinding & ontruiming.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12286739 VV EXPL 26-382
datum uitspraak: 11 augustus 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. S. Meeuwsen,
tegen
2. [gedaagde 2] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 2 juli 2026, met bijlagen.
Op 28 juli 2026 is de zaak tijdens een zitting met [gedaagde 2] , [eiseres] en de gemachtigde van [eiseres] besproken. [gedaagde 1] is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend (artikel 139 Rv). Dat brengt mee dat op grond van artikel 140 lid 3 Rv één vonnis wordt gewezen dat voor alle partijen als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
2 De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] huren sinds 1 januari 2026 de woning aan de [adres] in [plaats] . De huurprijs is op dit moment € 1.445,- per maand. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben vanaf februari 2026 een huurachterstand laten ontstaan die tot en met juni 2026 € 5.725,- bedraagt. Daarom eist [eiseres] dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning ontruimen en de huurachterstand betalen, vermeerderd met rente en kosten.
[gedaagde 2] erkent dat er sprake is van een huurachterstand. Hij geeft aan dat hij momenteel samen met [gedaagde 1] in de woning woont, hoewel hun relatie is beëindigd. Volgens [gedaagde 2] hebben zowel hij als [gedaagde 1] te maken gehad met zware persoonlijke omstandigheden. Hoewel [gedaagde 2] heeft geprobeerd om de huurachterstand in te lopen, is hem dat niet gelukt. Tot slot geeft [gedaagde 2] aan dat hij graag alleen in de woning wil wonen en de huurachterstand wil inlopen.
De kantonrechter wijst de tegen [gedaagde 1] ingediende eis toe, omdat deze haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv). Ook de eis tegen [gedaagde 2] wordt toegewezen. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
Spoedeisend belang
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiseres] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de huurachterstand van € 5.725,- aan [eiseres] betalen
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in totaal € 5.725,- aan [eiseres] moeten betalen. Dit bedrag bestaat uit de huurachterstand berekend tot en met juni 2026. [gedaagde 2] heeft ter zitting deze huurachterstand erkend.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten het gehuurde ontruimen
Het is voldoende aannemelijk dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden ontbonden. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de huurachterstand ernstig genoeg is om de ontbinding te rechtvaardigen. Daarbij oordeelt de kantonrechter dat de belangen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij behoud van de woning niet opwegen tegen het (spoedeisende) belang van [eiseres] om de woning te ontruimen. De kantonrechter heeft begrip voor de moeilijke persoonlijke omstandigheden van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , maar dat betekent niet dat zij geen huur hoeven betalen. Vast staat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] sinds maart 2026 niets meer hebben betaald. [gedaagde 2] heeft ook geen reëel voorstel gedaan om zowel de lopende huurtermijnen te voldoen als de huurachterstand af te lossen. Weliswaar heeft [gedaagde 2] ter zitting verklaard dat hij de huurovereenkomst alleen wil voortzetten en zowel de lopende huur als de huurachterstand wil betalen, maar niet is gebleken dat hij daartoe financieel daadwerkelijk in staat is.
Gelet op het voorgaande acht de kantonrechter het gerechtvaardigd om vooruit te lopen op de ontbinding en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om het gehuurde te ontruimen. De ontruimingstermijn wordt door de kantonrechter vastgesteld op 14 dagen na betekening van het vonnis.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de lopende huur betalen
Vanaf juli 2026 tot en met de dag van de ontruiming moeten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] € 1.445,- per maand betalen.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoeven geen incassokosten en rente te betalen
Omdat [eiseres] geen algemene voorwaarden heeft overgelegd, kan de kantonrechter ook niet toetsen of daar oneerlijke bepalingen over de incassokosten en rente in staan. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat dit zo is en wijst de incassokosten en de rente af.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). Zij zijn daarvoor hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:7 BW). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan [eiseres] moet betalen op € 154,10 aan dagvaardingskosten, € 559,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.434,10. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om aan [eiseres] te betalen € 5.725,-;
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen 14 dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] in [plaats] ( [postcode] ) te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om vanaf juli 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt € 1.445,- per maand aan [eiseres] te betalen;
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.434,10;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
67789