Verbintenissenrecht
Vonnis in kort geding. Toewijzing van het exclusieve recht op gebruik van de huurwoning aan de vrouw na het…
Rechtbank Rotterdam, 24 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14160 · Rechtbank Rotterdam · 24 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2026-14160
Zaakgegevens
Op 24 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Datum publicatie
- 16 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12227606 VV EXPL 26-277
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14160
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vonnis in kort geding. Toewijzing van het exclusieve recht op gebruik van de huurwoning aan de vrouw na het eindigen van de affectieve relatie met de man.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12227606 VV EXPL 26-277
datum uitspraak: 24 september 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats: [woonplaats ],
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. S. Boulgoudan,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats ],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
gemachtigde: mr. E.E. Tiebie.
De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
-
de dagvaarding van 20 mei 2026 met bijlagen 1 tot en met 7;
-
het antwoord in conventie en de eis in reconventie (tegeneis) met bijlagen 1 en 2;
-
de e-mail van [gedaagde] met bijlage 3;
-
de e-mail van [eiseres] met bijlagen 8 tot en met 17.
Op 30 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met [eiseres], bijgestaan door haar vorige gemachtigde mr. D.V. Garib, en met [gedaagde], bijgestaan door mr. Tiebie. Partijen hebben aan het eind van de zitting meegedeeld te willen deelnemen aan mediation om te proberen in onderling overleg tot een oplossing te komen. De kantonrechter heeft de zaak aangehouden. De mediation heeft echter geen oplossing opgeleverd. Op 8 september 2026 heeft [eiseres] om vonnis gevraagd.
2 De beoordeling
Wat is de kern
[eiseres] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad. Deze is geëindigd. Partijen zijn beiden huurder van de woning aan de [adres]. In februari van dit jaar heeft [eiseres] aan [gedaagde] meegedeeld dat zij zonder hem verder wil en met hun zoon van elf in de door hen gehuurde woning wil blijven wonen. Dat wil [gedaagde] ook. Partijen zijn hier samen niet uitgekomen.
Verkort weergegeven eisen partijen nu over en weer dat de ander de woning moet verlaten, met bijkomende vorderingen. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] om de woning te verlaten. De termijn hiervoor bepaalt de kantonrechter op 14 dagen na betekening van het vonnis. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Beoordelingskader in kort geding
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat eiser heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor gedaagde als de uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisend belang
Het spoedeisend belang is aanwezig, gelet op de omstandigheid dat partijen het erover eens zijn dat de situatie thuis niet langer houdbaar is en het ook in het belang van hun zoon is dat zij niet meer samen in de woning verblijven.
[eiseres] krijgt voorlopig het recht tot gebruik van de woning
De eisen van [eiseres] om a) te bepalen dat uitsluitend zij gerechtigd is tot het gebruik van de woning en b) [gedaagde] te veroordelen de woning te verlaten, worden toegewezen. De geëiste dwangsom wordt naar beneden bijgesteld op € 50,- per dag (i.p.v.
€ 500,-) en gemaximeerd op € 2.000,- (i.p.v. € 50.000,-), gezien het geringe inkomen van [gedaagde] en omdat dit voor [gedaagde] voldoende prikkel moet zijn om de woning vrijwillig te verlaten.
De kantonrechter wijst het recht tot gebruik van de woning toe aan [eiseres] en niet aan [gedaagde] omdat dit, zo schat de kantonrechter in, ook de uitkomst zal zijn van een gewone procedure (bodemprocedure). Op grond van artikel 7:267 lid 7 Burgerlijk Wetboek kan ieder van partijen bij de bodemrechter vorderen dat de ander de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen datum niet langer zal voortzetten.
Uiteraard hebben beide partijen er belang bij om de woning te kunnen blijven gebruiken, maar aan het belang van [eiseres] om samen met de minderjarige in de woning te blijven wordt meer gewicht toegekend dan aan het belang van [gedaagde] hierbij. Partijen zijn het er over eens dat hun zoon gebaat is bij voortzetting van zijn hoofdverblijf in de woning. Hij gaat daar in de omgeving ook naar school. De kantonrechter acht het aannemelijk dat in een bodemprocedure (zie ook 2.6.) de rechter de huur zal toewijzen aan [eiseres]. Uit wat partijen naar voren hebben gebracht kan vooralsnog worden afgeleid dat [eiseres] een stabielere basis biedt voor de minderjarige en hem efficiënter kan begeleiden dan [gedaagde]. Bij [gedaagde] lijkt sprake te zijn van een samenstel van problemen, zoals inactiviteit veroorzaakt door fysieke belemmering, verslavingsgevoeligheid, ongeremdheid en een omgekeerd dag- en nachtritme. Dat [gedaagde] op dit moment de hoofdverzorger van de minderjarige is, zoals hij stelt, staat niet zonder meer vast. [eiseres] heeft dit gemotiveerd weersproken in haar relaas over de omgang thuis. Hierbij komt dat het aantal uren dat vader en zoon met elkaar doorbrengt niet beslissend is voor de vraag wie van de ouders als hoofdverzorger is aan te merken. Verder weegt mee dat [eiseres] wat haar sociale contacten en werk betreft meer gebonden is aan de woning en de woonomgeving in Ridderkerk dan [gedaagde]. Onderkend wordt dat [eiseres] vanwege haar werk in de zorg, waarbij zij ook avond- en weekenddiensten doet, minder in de woning verblijft dan [gedaagde] die vanwege zijn persoonlijke problematiek al langere tijd thuis zit, maar dat maakt haar woonbelang niet minder groot. Ook speelt mee dat [eiseres] voor het gezinsinkomen zorgt waarmee de huur van de woning wordt betaald. [eiseres] kan de huidige huur betalen, maar uitwijken naar een andere huurwoning lijkt gezien haar beperkte inkomen niet makkelijk haalbaar. [eiseres] heeft ook uitgelegd dat zij niet met de minderjarige onderdak kan vinden bij naasten. Bij [gedaagde] speelt di t ook, maar de vraag is of hij in staat is om zelfstandig aan de verplichtingen uit de huurovereenkomst te voldoen. [gedaagde] ontvangt nu een bijstandsuitkering van € 1.001,08 per maand, maar het is onduidelijk of dit bedrag toereikend is om zelfstandig de huidige huur te betalen naast zijn andere uitgaven. [gedaagde] zegt met het gebruik van alcohol en cannabis te zijn gestopt en zich te hebben aangemeld bij PsyQ. Wellicht dat hierdoor de met het gebruik van alcohol- en cannabis verband houdende kosten zich in de toekomst niet meer zullen voordoen, en mogelijk krijgt [gedaagde] als hij zelfstandig in de woning zou wonen een hogere uitkering en huurtoeslag, maar dit zijn nu onzekere factoren. Als er een huurachterstand ontstaat zijn beide partijen zolang zij beiden nog huurder zijn daarvoor aansprakelijk.
Afwijzing eis tot uitschrijving uit de Basisregistratie Personen
De eis van [eiseres] om c) [gedaagde] te veroordelen om zich vanaf het moment van feitelijk vertrek uit de woning uit te schrijven van het adres van de woning in de BRP wordt afgewezen bij gebrek aan (spoedeisend) belang hierbij. Een dergelijk belang heeft [eiseres] onvoldoende toegelicht. Ter zitting is naar voren gebracht dat [gedaagde] al is uitgeschreven van het adres [adres]. Dat volgt ook uit de brief van de gemeente Ridderkerk van 27 mei 2026 (bijlage 2 van [gedaagde]), waarin aan [gedaagde] is meegedeeld dat hem een uitkering op grond van de Participatiewet is toegekend, welke brief is verzonden naar het adres Koningsplein 1 in Ridderkerk. De kantonrechter leidt hieruit af dat [gedaagde] nu in de BRP staat ingeschreven op het (post)adres van het gemeentehuis van Ridderkerk.
Afwijzing tegeneis
Gelet op wat hierboven is overwogen worden de tegeneisen van [gedaagde] afgewezen.
Proceskosten
De kantonrechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt. Dat is in dit soort zaken de gebruikelijke gang van zaken.
Uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] er geen afzonderlijk bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Tot slot
[eiseres] wil werken aan de totstandkoming van een goede en structurele zorgregeling tussen [gedaagde] en de minderjarige. Zij zal een dergelijk contact actief ondersteunen en stimuleren (dagvaarding punt 27). De beëindiging van een relatie is altijd een emotionele situatie met voor beide partners ingrijpende gevolgen. Maar natuurlijk ook voor de minderjarige ([minderjarige]). Het is een taak en verantwoordelijkheid van beide ouders om de gevolgen voor hem zo dragelijk mogelijk te maken, wat ook betekent dat er goed contact tussen vader en zoon moet blijven en [minderjarige] zo min mogelijk moet worden belast met conflicten tussen de ouders. De kantonrechter hoopt oprecht dat partijen onder die opdracht hun schouders zullen (blijven) zetten.
3 De beslissing
De kantonrechter, bij wijze van voorlopige voorziening:
in conventie
bepaalt dat na de hierna te noemen termijn van 14 dagen uitsluitend [eiseres] gerechtigd is tot het gebruik van de woning in de [adres];
veroordeelt [gedaagde] om de woning binnen 14 dagen na betekening
van dit vonnis te verlaten, met afgifte van de sleutels van de woning aan [eiseres], op verbeurte van een dwangsom van € 50,- voor iedere dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft tot aan een maximum van € 2.000,-;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.W. Langeler en in het openbaar uitgesproken.
465