Strafrecht overig
Bevel gevangenneming ter uitlevering aan Nederland van een vrouwelijke verdachte die vast zit in een kamp in…
Rechtbank Rotterdam, 8 januari 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:446 · Rechtbank Rotterdam · 8 januari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/beschikking/ecli-nl-rbrot-2019-446
Zaakgegevens
Op 8 januari 2019 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 8 januari 2019
- Datum publicatie
- 22 januari 2019
- Zaaknummer
- 10/960408-16
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2019:446
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bevel gevangenneming ter uitlevering aan Nederland van een vrouwelijke verdachte die vast zit in een kamp in het noordoosten van Syrië. Zij wordt (onder meer) verdacht van deelname aan een terroristische organisatie.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/960408-16
Lurisnummer: OVL-U-2015037076
Raadkamernummer: 18/1860
Bevel gevangenneming
De meervoudige raadkamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam heeft zich beraden over de gevangenneming van:
[Naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
voor deze zaak domicilie kiezende te [adres] , ten kantore van haar raadsman mr. A.M. Seebregts,
verder te noemen: de verdachte.
De officier van justitie mr. A.M.F. van Veghel en de raadsman van de verdachte mr. A.M. Seebregts zijn bij de behandeling in raadkamer op 8 januari 2019 gehoord.
De rechtbank overweegt als volgt.
Over de procedure en de feiten
Tegen de verdachte is op 23 november 2017 een internationaal arrestatiebevel uitgevaardigd ter zake - kort weergegeven -
-
deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr);
-
samenspanning/bevordering/voorbereiding van moord en/of brandstichting en/of het teweeg brengen van ontploffingen, telkens met een terroristisch oogmerk;
-
het zichzelf of anderen verschaffen van gelegenheid/middelen/inlichtingen ten behoeve van het plegen van terroristische misdrijven dan wel ten behoeve van de voorbereiding daarvan.
Uit de inhoud van het dossier komt naar voren dat de verdachte in augustus 2015, samen met haar man en drie minderjarige kinderen, is uitgereisd naar het jihadistisch strijdgebied in Syrië en/of Irak. Zij wordt ervan verdacht te hebben deelgenomen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak voor één of meer een terroristische organisatie(s), althans een aan deze organisaties gelieerde Jihadistische strijdgroep, althans een Jihadistische gewapende strijdgroep. Ook wordt zij verdacht van deelname aan (gevechts)trainingen voor de gewapende Jihadstrijd.
De verdachte heeft het kalifaat van IS verlaten en zou zich sindsdien (althans al langere tijd) samen met haar drie minderjarige kinderen en een kind dat daar geboren zou zijn, in het vluchtelingenkamp in [plaats 1] in het noorden van Syrië bevinden. Het kamp staat onder controle van de Koerdische volksbeschermingseenheden (de YPG).
Op 15 juni 2018 heeft de verdachte bij monde van haar raadsman op grond van artikel 36 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) verzocht een verklaring af te geven dat haar strafzaak is geëindigd. Subsidiair werd verzocht de officier van justitie een opdracht te geven als in de zaak van [medeverdachte] , dat wil zeggen om een bevel gevangenneming ter uitlevering uit te vaardigen.
Op 27 september 2018 heeft de rechtbank het onderzoek in raadkamer aangehouden, aangezien de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) het internationale arrestatiebevel aan de Koerdische autoriteiten in Noord-Syrië heeft doen toekomen en de internationale ontwikkelingen in het gebied dienden te worden afgewacht.
Voor zover bekend, is er nog geen gevolg gegeven aan het arrestatiebevel en zit de verdachte samen met haar kinderen nog steeds gevangen in het vluchtelingenkamp in [plaats 1] .
Voor zover thans is gebleken, zijn er door de Nederlandse autoriteiten ook geen verdere inspanningen verricht met het oog op het bewerkstelligen van een gecontroleerde overdracht van de verdachte aan de Nederlandse autoriteiten en begeleiding naar Nederland.
De raadsman heeft gewezen op de recente internationale ontwikkelingen in het gebied, in het bijzonder op de aangekondigde terugtrekking van Amerikaanse strijdkrachten uit het gebied. Door het wegvallen van de Amerikaanse steun aan de Koerdische strijdkrachten zouden de machtsverhoudingen in het gebied ten nadele van de Koerden kunnen verschuiven, met als gevolg dat de verdachte uit beeld verdwijnt.
Alles afwegende ziet de rechtbank thans wel aanleiding om de gevangenneming van de verdachte te bevelen en daarbij concrete aanwijzingen te geven ten aanzien van de inspanningen die moeten worden verricht om de uitlevering dan wel de feitelijke overdracht van de verdachte aan Nederland mogelijk te maken.
Over het recht
De raadkamer is van oordeel dat zij bevoegd is tot het geven van een bevel gevangenneming om de uitlevering (lees: feitelijke overdracht) van de verdachte naar Nederland te verkrijgen. Zoals overwogen in het op 20 februari 2018 afgegeven bevel in een soortgelijke zaak (met parketnummer 10/960078-16, ECLI:NL:RBROT:2018:2821), is deze bevoegdheid – mede gelet op de wetssystematiek van dit artikel – gegrond op artikel 65 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Deze bevoegdheid van de raadkamer is door de officier van justitie en de raadsman van de verdachte niet betwist. De raadsman heeft eerder ook expliciet om de gevangenneming van de verdachte verzocht.
Het bevel
Gebleken is dat de feiten die zijn omschreven in het internationaal arrestatiebevel van 23 november 2017 feiten zijn waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Uit de inhoud van het dossier blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte en van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid welke de onverwijlde vrijheidsbeneming van de verdachte vordert, hierin bestaande:
- dat er sprake is van een verdenking van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt.
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 65, 66, 67, 67a en 78 van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING
De rechtbank:
beveelt de gevangenneming ter uitlevering, waaronder mede wordt verstaan de feitelijke overlevering van de verdachte en bepaalt dat de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in een Huis van Bewaring;
draagt de officier van justitie op dit bevel onder de aandacht te brengen van de Minister van Justitie en Veiligheid en al het nodige te doen om het er toe te leiden dat door of in opdracht van de Minister voor zover mogelijk alle noodzakelijke maatregelen worden genomen om te bewerkstelligen dat
- (1) (1) de verdachte zal worden overgebracht naar de grens met Irak, naar de Koerdische Autonome Regio,
(2) de autoriteiten van de Koerdische Autonome Regio daar gereed zullen staan en de verdachte daar op basis van de internationale signalering aan zullen houden en vervolgens zullen overbrengen naar het Nederlandse consulaat-generaal in [plaats 2] ,
(3) de verdachte vervolgens via het Nederlandse consulaat-generaal in [plaats 2] zal worden overgebracht naar Nederland,
met het doel de aanhouding, strafrechtelijke vervolging en berechting van de verdachte in Nederland mogelijk te maken;
- en hierbij door de Nederlandse autoriteiten met de Iraakse autoriteiten zal worden overeengekomen dat (in verband met de mogelijkheid van oplegging van de doodstraf in Irak) wordt gegarandeerd dat de verdachte niet in Irak zal worden vervolgd.
Aldus gedaan met gesloten deuren op 8 januari 2019 door:
mr. J.L.M. Boek, voorzitter,
en mrs. J. van Dort en F.J. Koningsveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier.
De jongste rechter is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.
Afschrift raadsman/vrouw d.d.
De officier van justitie gelast de tenuitvoerlegging van vorenstaande beschikkingen brengt deze ter kennis van verdachte.
Rotterdam, de OvJ
Gezien op: dir. HvB/PI