Strafrecht overig
Klaagschrift op grond van artikel 552a Sv. Verzoek tot opheffing beslag op en teruggave van een sleepboot…
ECLI:NL:RBROT:2020:8540 · Rechtbank Rotterdam · 11 september 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/beschikking/ecli-nl-rbrot-2020-8540
Zaakgegevens
Op 11 september 2020 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 11 september 2020
- Datum publicatie
- 30 september 2020
- Zaaknummer
- 10/997516-19
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2020:8540
Samenvatting
Klaagschrift op grond van artikel 552a Sv. Verzoek tot opheffing beslag op en teruggave van een sleepboot. Klager wordt niet ontvankelijk verklaard omdat niet kan worden vastgesteld dat hij bevoegd is om namens de eigenaar van de sleepboot op te treden.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/997516-19
Raadkamernummer: [nummer]
Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op het klaagschrift van:
[naam klager] , klager,
geboren te [geboorteplaats klager] op [geboortedatum klager] ,
wonende te [woonplaats klager] , aan [adres klager] ,
raadsman mr. H.G. Ruis, kantoorhoudende te Meppel.
Procedure
Op 8 juni 2020 is op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een klaagschrift ingediend.
Het klaagschrift is op 11 september 2020 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. K. Broere, de klager en zijn raadsman zijn gehoord.
Feiten
Op 14 februari 2020 is onder een ander dan de klager, te weten de gezagvoerder [naam gezagvoerder] , beslag gelegd op het motorschip [naam schip] . Het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv en later ook op grond van 94a Sv.
Het is gelegd in het kader van de strafzaken tegen [naam bedrijf 1] ., gevestigd op de Maagdeneilanden (parketnummer 10/997504-20) en [naam bedrijf 2] , gevestigd in Panama (parketnummer 10/997505-20). Deze buitenlandse vennootschappen worden - kort samengevat - verdacht van de illegale overbrenging van drie sloopschepen naar Turkije. Bij alle drie de overbrengingen werd de [naam schip] als sleepboot gebruikt.
Standpunt klager en standpunt officier van justitie
Het klaagschrift strekt tot teruggave van het motorschip [naam schip] aan de klager.
Aangevoerd is dat hij onder meer optreedt als gevolmachtigde van de eigenaar van het schip, te weten [naam bedrijf 2] Het door hem ingenomen standpunt komt erop neer dat verbeurdverklaring van het schip redelijkerwijs niet kan worden verwacht, zodat het ook niet met dat doel in beslag had mogen worden genomen.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beklag.
Ontvankelijkheid
Vooropgesteld wordt dat uitsluitend belanghebbenden zich op grond van artikel 552a Sv kunnen beklagen over inbeslagneming. De klager heeft gesteld dat hij gerechtigd is om namens de eigenaar van de [naam schip] in deze procedure op te treden en de teruggave van het schip te vorderen. De volmacht waaruit dit zou blijken, betreft evenwel een algemene volmacht die geldig was tot juni 2013. Deze volmacht is dus inmiddels geruime tijd verlopen. Ook anderszins blijkt niet dat de klager bevoegd is om namens de eigenaar het klaagschrift in te dienen. Dat de klager de afgelopen jaren gebruik heeft gemaakt van het schip maakt dat niet anders. Dit betekent namelijk niet dat hij ook bevoegd is om namens de eigenaar in rechte op te treden.
Gelet op het vorengaande zal de klager niet-ontvankelijk worden verklaard in het beklag.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beklag.
Deze beschikking is gegeven door mr. V.F. Milders, voorzitter,
en mrs. J. de Lange en W.M. Stolk rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.A. Koreneef, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2020.