Strafrecht overig

bewezenverklaring voor afpersing in vereniging en bedreiging. Redelijke termijn overschreden en DUT…

Rechtbank Rotterdam, 8 april 2026

Zaakgegevens

Op 8 april 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
8 april 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
10-232529-24 en 09-239422-25 en 09-305184-23
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:15020
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

bewezenverklaring voor afpersing in vereniging en bedreiging. Redelijke termijn overschreden en DUT. Vordering BP toegewezen. TUL toegewezen. Straf: deels voorwaardelijke jeugddetentie.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummers: 10-232529-24 en 09-239422-25 (gevoegd op zitting)

Parketnummer vordering TUL: 09-305184-23

Datum uitspraak: 8 april 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres], [postcode] [plaatsnaam],

raadsman mr. M. Berkel, waarnemend voor mr. E.A. Breetveld advocaat te ’s-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 8 april 2026.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. Broere heeft gevorderd:

  • bewezenverklaring van het onder parketnummers 10-232529-24 (afpersing) en 09-239422-25 (bedreiging) ten laste gelegde;

  • veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 50 dagen met aftrek
    van voorarrest, waarvan 35 dagenvoorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;

  • met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en dat de verdachte zijn medewerking verleent aan begeleiding, zoals coaching bij NextStep, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen, te weten Joman Zorg, en een zinvolle dagbesteding zal hebben;

  • met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering parketnummer 10-232529-24 (afpersing)

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Allereerst merkt de verdediging op dat uit het dossier blijkt dat de verdachte de persoon waar de medeverdachte problemen mee zou hebben helemaal niet kent. De verdachte heeft verklaard niks met het incident te maken te hebben. De vraag is ook in hoeverre de getuige, de vriendin van de aangever, betrouwbaar is. Zij was behoorlijk aangedaan en het zou kunnen dat zij daardoor de situatie anders heeft beoordeeld dan hoe het in werkelijkheid is gegaan. Daarnaast blijkt uit het DNA-rapport van de weggenomen ring niet van een match met de verdachte. Op de beelden van de bodycam is ook niet duidelijk te zien wat er precies is gegooid. Wellicht was dat een restant van een sigaret, wellicht de ring, maar dat kan niet worden vastgesteld.

4.1.2.

Beoordeling

Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte samen met de medeverdachte op 17 juli 2024 de aangever heeft gedwongen tot afgifte van zijn ring. Wanneer de verbalisanten ter plaatse komen geeft de aangever aan dat zijn ring, een gouden ring met het teken van een mattenklopper en met daarin diamantjes verwerkt, door de verdachte is weggenomen. De verdachte had met kracht aan zijn ring getrokken en met harde stem gezegd: “Geef die ring”. De getuige heeft ook verklaard dat de aangever werd gedwongen zijn ring af te geven en dat hij dit ook heeft gedaan. Toen de verdachte werd aangehouden is door de verbalisant waargenomen dat de verdachte met zijn hand in zijn broekzak ging en daarna een klein voorwerp gooide in de richting van het spoor. Dit blijkt tevens uit de camerabeelden. Wanneer een verbalisant later op het spoor gaat kijken wordt gezien dat, in de richting waarheen de verdachte een voorwerp had weggegooid, op de grond een gouden ring lag met een teken van een mattenklopper, afgewerkt met diamantjes. De moeder van de aangever heeft een foto van de ring van de aangever aan de politie gestuurd, die door de politie is vergeleken met de ring die op het spoor is aangetroffen. Deze blijkt overeen te komen.

Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het afpersen van de ring van de aangever. Het feit dat op de buitenzijde van de ring geen DNA-profiel is aangetroffen dat geschikt was voor vergelijkend DNA-onderzoek sluit niet uit dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan deze afpersing.

4.1.3.

Conclusie

Het onder parketnummer 10-232529-24 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.2.

Bewijswaardering parketnummer 09-239422-25 (bedreiging)

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Kijkend naar de camerabeelden en de rest van het dossier komen deze niet overeen met het verhaal van de conducteur. De conducteur zegt dat de verdachte direct op stond, maar dat is niet wat te zien is op de camerabeelden. Pas nadat de conducteur zich voorover boog naar de verdachte toe stond de verdachte op en toen gaf de conducteur de verdachte een forse duw. Niet wordt gezien dat de verdachte een agressieve of gevechtshouding aanneemt. De verdachte loopt zelfs gemoedelijk achter de conducteur aan. Daarnaast is de verklaring van de getuige geen getuigenverklaring, maar een proces-verbaal van bevindingen van een verbalisant die iets heeft gehoord van een getuige. Het kan best zijn dat de verdachte vervelende dingen heeft geroepen, als deze al zijn geroepen, maar dat was na de duw van de conducteur. De conducteur is bovendien ruw met de verdachte omgegaan. Tenslotte moet de bedreiging vrees hebben opgewekt bij de aangever. Op de camerabeelden wordt niet iemand gezien die echt bang is en terugdeinst voor de verdachte.

4.2.2.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van de aangever die op dat moment in de trein aan het werk was als conducteur. Op de camerabeelden wordt gezien dat de verdachte degene is die hoofd tegen hoofd gaat staan met de conducteur. De verdachte heeft ter zitting – tijdens het bekijken van de camerabeelden - verklaard dat dit een reactie was omdat de conducteur hem bij de keel pakte. Dit wordt echter door de rechtbank niet waargenomen op de camerabeelden. De aangever heeft verklaard dat de verdachte vervolgens bedreigingen heeft geuit richting hem, hetgeen wordt bevestigd door een getuige die de bedreigingen heeft gehoord. Dat deze bevestiging van de getuige niet is opgenomen in een apart proces-verbaal van verhoor getuige doet niets af aan de betrouwbaarheid daarvan. Het proces-verbaal met daarin de verklaring van de getuige, die kort na het incident is gehoord, is immers op ambtseed opgemaakt. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de inhoud van dat proces-verbaal te twijfelen.

Voor een veroordeling terzake van bedreiging is volgens de Hoge Raad onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. Hierbij is voldoende dat de bedreiging in het algemeen geschikt is om de vrees voor een inbreuk op persoonlijke vrijheid teweeg te brengen.

Toetsend aan deze maatstaf is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de gegeven omstandigheid minst genomen het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het ontstaan van de redelijke vrees bij aangever dat hij de bedreiging ten uitvoer zou kunnen brengen.

4.2.3.

Conclusie

Het onder parketnummer 09-239422-25 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummers 10-232529-24 en 09-239422-25 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Parketnummer 10-232529-24

hij op of omstreeks 17 juli 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een ring, in elk geval enig

goed, die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] toebehoorde(n)

door

- die [slachtoffer 1] te intimideren, althans een gevoel van dreiging/onveiligheid

bij die [slachtoffer 1] teweeg te brengen en/of

- aan een ring om de vinger van die [slachtoffer 1] te trekken en/of

- die [slachtoffer 1] (dreigend) de woorden toe te voegen: "Geef die ring" en/of

die [slachtoffer 1] te dwingen/gebieden zijn ring af te staan en/of

- die [slachtoffer 1] te dwingen/gebieden mee te lopen en/of (daarbij) (dreigend)

de woorden toe te voegen: "Loop door, want ik heb een mes bij me";

Parketnummer 09-239422-25

hij op of omstreeks 6 september 2025 te Gouda,

[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware

mishandeling,

door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik maak je dood" en/of "Ik

maak je moeder dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Parketnummer 10-232529-24

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Parketnummer 09-239422-25

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich op zestienjarige leeftijd samen met een ander schuldig gemaakt aan

afpersing van het slachtoffer. Hierbij is geweld gebruikt door de aangever te intimideren, aan de vinger van de aangever te trekken om de ring weg te kunnen nemen en er is gedreigd door te zeggen dat er een mes aanwezig was. Het slachtoffer heeft zijn ring moeten afgeven. De verdachte heeft met zijn handelen geen enkel respect gehad voor andermans bezittingen en heeft voor het slachtoffer een bijzonder dreigende situatie gecreëerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten zoals deze ook na langere tijd nog veel last kunnen hebben van wat hen is overkomen. Zoals blijkt uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij ervaart het slachtoffer nog steeds angstgevoelens, heeft hij last van slaapproblemen en gaat met moeite alleen naar buiten. Daarnaast leveren dit soort feiten, veelal gepleegd op de openbare weg, gevoelens van onveiligheid op in de maatschappij. De verdachte heeft dit met zijn handelen veroorzaakt.

Daarnaast heeft de verdachte zich op zeventienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan bedreiging. Het slachtoffer was op dat moment werkzaam als treinconducteur en deed een reguliere controle op vervoersbewijzen. De verdachte weigerde mee te werken en nam direct een dreigende houding aan en riep dat hij de conducteur en zijn moeder dood zou maken. Dit handelen toont niet alleen een groot gebrek aan respect voor personen, maar zorgde ook voor gevoelens van angst bij het slachtoffer en voor onrust en onveiligheid voor medepassagiers.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 17 maart 2026. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.

Het algemeen recidive risico komt uit op hoog. De Raad ziet meerdere risicofactoren in het leven van de verdachte, die de kans op herhaling van delictgedrag kunnen vergroten. Hij heeft op veel verschillende plekken gewoond en verblijft momenteel bij zijn moeder, terwijl er een plek voor hem is (middels een machtiging tot uithuisplaatsing) bij Joman Zorg. Dit maakt dat de verdachte momenteel niet de structuur en begeleiding krijgt die hij nodig heeft, terwijl dit wel nodig wordt geacht. Hij gaat zijn eigen gang en laat zich nauwelijks aansturen door zijn moeder. Daarnaast ziet de Raad dat hij geen schoolgang heeft. Hij heeft een baan, hij zou pakketjes rondbrengen, maar hierover geeft hij geen openheid aan de jeugdbeschermer. De Raad vindt het zorgelijk dat er geen zicht is op wat hij daadwerkelijk doet. De Raad maakt zich zorgen over de vrijetijdsbesteding van de verdachte en de relaties die hij heeft, ook hierop is weinig zicht. Het contact met de coach is naar mening van de Raad onvoldoende om de zorgen over de verdachte weg te nemen. Al met al is het zicht op hem erg beperkt, waardoor het ingewikkeld is om de risicofactoren met behulp van de huidige maatregelen te doen verminderen. Betreffende de tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde werkstraf, is de Raad van mening dat het passend is om deze ten uitvoer te leggen. De verdachte komt herhaaldelijk in aanraking met politie en justitie. Betrokkenheid van de jeugdreclassering lijkt onvoldoende effect te hebben gehad op het verbeteren van zijn situatie en het reduceren van risicofactoren die de kans op herhaling van delictgedrag kunnen verkleinen. De Raad is van mening dat er een duidelijke grens gesteld moet worden voor de verdachte. De Raad adviseert daarom een geheel voorwaardelijke jeugddetentie die kan dienen als stok achter de deur, zodat de verdachte begrijpt dat het belangrijk is dat hij onder andere meewerkt aan hulpverlening en een stabiele dagbesteding heeft in de vorm van werk en/of onderwijs. Ook wordt toezicht door de jeugdreclassering geadviseerd en meewerken aan de daaruit voortvloeiende afspraken, ook als dat inhoudt dat de verdachte zal deelnemen aan enige vorm van begeleiding zoals coaching. Daarnaast acht de Raad het van belang dat de verdachte zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen, te weten Joman Zorg, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, en dat hij zich houdt aan de regels van de leefgroep.

Deskundige [naam], werkzaam als jeugdbeschermer bij Jeugdbescherming west, heeft ter zitting naar voren gebracht dat de verdachte veel heeft meegemaakt. Hij verblijft nu deels bij zijn moeder en deels bij Joman Zorg. Voorheen heeft hij bij Novaa Zorg verbleven, maar dit is niet goed gegaan. Ook heeft hij een aantal coaches gehad waarmee het niet goed is verlopen. Met zijn huidige coach verloopt het contact wel goed. Het verblijf bij zijn moeder verloopt ook niet altijd even goed. Het beste is als de verdachte zeven dagen per week bij Joman Zorg in Utrecht zou verblijven en hij ook in Utrecht zou kunnen werken. Hij werkt nu meerdere dagen per week als pakketbezorger dus hij is gemotiveerd om te werken.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Straf

Bij de berechting van een jeugdstrafzaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de zaak met parketnummer 10-232529-24 op 18 juli 2024 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn met betrekking tot dit feit derhalve aangevangen. Tussen 18 juli 2024 en de datum van de uitspraak in de strafzaak ligt een periode van ruim twintig maanden. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van vier maanden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf.

Gezien de ernst van de feiten kan, ondanks de overschrijding van de redelijke termijn, niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. In het voordeel van de verdachte wordt rekening gehouden met hetgeen hiervoor is overwogen over de overschrijding van de redelijke termijn. In het nadeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld wegens geweldsfeiten. Daarnaast neemt de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen.

De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om een

deel van de voorgenomen jeugddetentie voorwaardelijk op te leggen met de voorwaarden

die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten afpersing en bedreiging. Gelet op de ernst van de feiten en de rapportage van de Raad, waaruit naar voren komt dat het recidiverisico hoog is, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij], ter zake van het onder parketnummer 10-232529-24 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 600,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleitte vrijspraak.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder parketnummer 10-232529-24 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. In de vordering van de benadeelde partij en de schriftelijke slachtofferverklaring is toegelicht dat de impact van het bewezenverklaarde strafbare feit groot is. De aard en de ernst van de normschending brengt met zich dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvoor door de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon wordt aangenomen. De vordering is door de verdachte inhoudelijk niet weersproken en de gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering zal worden toegewezen.

Hoofdelijkheid

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Wettelijke rente

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 17 juli 2024.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

9 Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 9 februari 2024 van de kinderrechter van deze rechtbank met parketnummer 09-305184-23 is de verdachte ter zake van mishandeling veroordeeld voor zover van belang tot een werkstraf van 40 uur, met aftrek van voorarrest, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 23 februari 2024.

9.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.

9.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, dan wel de proeftijd met een jaar te verlengen.

9.4.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder parketnummers 10-232529-24 en 09-239422-25 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 50 (vijftig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 35 (vijfendertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west (hierna ook te noemen: jeugdreclassering) te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zijn medewerking verleent aan begeleiding, zoals coaching bij NextStep of een soortgelijke instelling, zolang als de jeugdreclassering dat nodig vindt;

- zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen, te weten Joman Zorg of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, en zich houdt aan de regels van de leefgroep;

- zich zal inspannen voor het hebben en behouden van een zinvolle dagbesteding, in de vorm van werk en/of onderwijs;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de gestelde voorwaarden en het aan genoemde jeugdreclasseringsinstelling opgedragen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij], te betalen een bedrag van

€ 600,- (zegge: zeshonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 17 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 600,- (hoofdsom, zegge: zeshonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren subsidiair 20 (twintig) dagen vervangende jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, opgelegd bij vonnis van 9 februari 2024 in de zaak met parketnummer 09-305184-23.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. J.C.M. Persoon en C.C. Peterse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.N. Arduin, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 april 2026.

De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging 10-232529-24

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 juli 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een ring, in elk geval enig

goed, die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] toebehoorde(n)

door

- die [slachtoffer 1] te intimideren, althans een gevoel van dreiging/onveiligheid

bij die [slachtoffer 1] teweeg te brengen en/of

- aan een ring om de vinger van die [slachtoffer 1] te trekken en/of

- die [slachtoffer 1] (dreigend) de woorden toe te voegen: "Geef die ring" en/of

die [slachtoffer 1] te dwingen/gebieden zijn ring af te staan en/of

- die [slachtoffer 1] te dwingen/gebieden mee te lopen en/of (daarbij) (dreigend)

de woorden toe te voegen: "Loop door, want ik heb een mes bij me".

Tekst tenlastelegging 09-239422-25

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 6 september 2025 te Gouda,

[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware

mishandeling,

door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik maak je dood" en/of "Ik

maak je moeder dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.