Vreemdelingenrecht
Bewaring / schadevergoeding / matiging / verband onrechtmatigheid en handelen vreemdeling / schadebeperkend…
Rechtbank 's-Gravenhage, 27 januari 2010
ECLI:NL:RBSGR:2010:BL7342 · Rechtbank 's-Gravenhage · 27 januari 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-s-gravenhage/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbsgr-2010-bl7342
Zaakgegevens
Op 27 januari 2010 heeft de Rechtbank 's-Gravenhage in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank 's-GravenhageRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 januari 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- AWB 10/1351
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBSGR:2010:BL7342
Samenvatting
Bewaring / schadevergoeding / matiging / verband onrechtmatigheid en handelen vreemdeling / schadebeperkend handelen
Bewaring onrechtmatig in verband met onvoldoende voortvarend handelen. Anders dan verweerder heeft verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding om de verzochte schadevergoeding te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen verband tussen de reden van onrechtmatigheid van de bewaring en eventueel handelen dan wel nalaten van eiser daarbij.
Een reden tot matiging zou voorts kunnen liggen in het onnodig laat instellen van een (vervolg)beroep. Verweerder heeft in dat verband gewezen op het door eiser eerst op 12 januari jl. instellen van onderhavig vervolgberoep. Anders dan verweerder ziet de rechtbank ook hierin geen reden om tot matiging over te gaan. In het door verweerder gehanteerde systeem raakt een vreemdeling eerst na het instellen van een (vervolg)beroep (volledig) op de hoogte van de door verweerder ondernomen uitzettingshandelingen. In het onderhavige geval kon eiser niet eerder dan na het instellen van het beroep op de hoogte raken van het feit dat verweerder pas op 14 januari 2010 een claim had gelegd. Nu eiser voorts binnen een maand na de laatste uitspraak onderhavig beroep heeft ingesteld, kan niet worden gezegd dat eiser op dit vlak heeft nagelaten schadebeperkend te handelen. Beroep gegrond en schadevergoeding toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Sector Bestuursrecht
Zittinghoudende te Amsterdam
zaaknummer: AWB 10 / 1351
V-nr:
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 januari 2010
in het geding tussen:
eiser [naam], van (gestelde) Nigeriaanse nationaliteit,
gemachtigde: mr. J. van Appia, advocaat te Amsterdam
en:
de staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. D. Bozanovic, werkzaam bij de Immigratie en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2010. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding toe. De rechtbank veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 80,-- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, te weten van 16 december 2009 tot 26 januari 2010 derhalve in totaal 39 x € 80,-- in totaal € 3120,-- (zegge: eenendertighonderd en twintig euro), te betalen door de griffier van de rechtbank aan eiser. De rechtbank veroordeelt verweerder als in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 874,-- als kosten van verleende rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van deze rechtbank.
Motivering
Niet in geschil is dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en ook de rechtbank is dat oordeel toegedaan. In haar uitspraak van 15 december 2009 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam overwogen dat verweerder tot die datum voldoende voortvarend handelde, maar heeft verweerder wel te verstaan gegeven dat zo snel mogelijk een Dublinclaim bij de Italiaanse autoriteiten moest worden gelegd. Eerst op 14 januari 2010 heeft verweerder een claim gelegd bij voornoemde autoriteiten. Nu verweerder voorts anderszins geen uitzettingshandelingen heeft verricht na 15 december 2009, is de rechtbank van oordeel dat verweerder vanaf 15 december 2009 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
Anders dan verweerder heeft verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding om de verzochte schadevergoeding te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen verband tussen de reden van onrechtmatigheid van de bewaring en eventueel handelen dan wel nalaten van eiser daarbij.
Een reden tot matiging zou voorts kunnen liggen in het onnodig laat instellen van een (vervolg)beroep. Verweerder heeft in dat verband gewezen op het door eiser eerst op 12 januari jl. instellen van onderhavig vervolgberoep. Anders dan verweerder ziet de rechtbank ook hierin geen reden om tot matiging over te gaan. In het door verweerder gehanteerde systeem raakt een vreemdeling eerst na het instellen van een (vervolg)beroep (volledig) op de hoogte van de door verweerder ondernomen uitzettingshandelingen. In het onderhavige geval kon eiser niet eerder dan na het instellen van het beroep op de hoogte raken van het feit dat verweerder pas op 14 januari 2010 een claim had gelegd. Nu eiser voorts binnen een maand na de laatste uitspraak onderhavig beroep heeft ingesteld, kan niet worden gezegd dat eiser op dit vlak heeft nagelaten schadebeperkend te handelen.
De door verweerder aangehaalde uitspraak van 25 april 2005 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (LJN: AT6202) maakt het voorgaande niet anders. Deze uitspraak betreft een andere situatie.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
H.C. Hagen
griffier
mr. R.H.G. Odink
voorzitter
afschrift verzonden op:
Conc.: HH
Bp:
D: B
VK
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.