Civiel recht overig

Vonnis in kort geding bevat slechts voorlopige oordelen waaraan partijen en de rechter noch in een…

Rechtbank 's-Gravenhage, 23 mei 2011

Zaakgegevens

Op 23 mei 2011 heeft de Rechtbank 's-Gravenhage in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23 mei 2011
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
391959/KG ZA 11-417
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ6685
E-mail

Samenvatting

Vonnis in kort geding bevat slechts voorlopige oordelen waaraan partijen en de rechter noch in een bodemprocedure noch in een later kort geding gebonden zijn. Een kort gedingvonnis heeft dan ook geen gezag van gewijsde. Het opnieuw en op dezelfde gronden instellen van een vordering in kort geding kan wel misbruik van procesrecht opleveren. Omstandigheden van het geval brengen mee dat daarvan in de onderhavige zaak sprake is, behoudens in geval van feiten en/of omstandigheden die in het eerdere geding niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de behandeling van de eerste zaak hebben voorgedaan ("nova"). Opheffing beslagen. Oordeel van de voorzieningenrechter in eerder kort geding dat vordering van (thans) gedaagde niet voldoende was onderbouwd, brengt niet - zonder meer - mee dat beslagen moeten worden opgeheven omdat op grond daarvan summierlijk de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 391959 / KG ZA 11-417

Vonnis in kort geding van 23 mei 2011

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie],

gevestigd te Zoetermeer,

2. [P.],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. M.C.V. Dornstedt te Brielle,

tegen:

1. [M.],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [XXX] HOLDING B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

3. de commanditaire vennootschap [XXX] HORECA C.V., voorheen genaamd [Z.] C.V.,

voorheen handelend onder de naam [L.],

thans handelend onder de naam [XXX] Horeca,

gevestigd te 's-Gravenhage,

4. de vennootschap naar buitenlands recht GOALCREST LIMITED,

gevestigd te Hythe, Kent, Verenigd Koninkrijk,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. R. van Biezen te Leidschendam.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als enerzijds "[eiseres in conventie, verweerster in reconventie]" en "[M.]" (gezamenlijk ook wel als "M. cs") en anderzijds "P.", "[XXX] Holding", "[XXX] Horeca" en "Goalcrest" (gezamenlijk ook wel als "P. cs").

1. Het procesverloop

[M.] hebben [P.] op 21 april 2011 doen dagvaarden om op 17 mei 2011 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van [P.] is de zittingsdatum - in overleg met partijen - verplaatst naar 18 mei 2011. Op die datum zijn partijen verschenen en is de zaak behandeld. Vervolgens is op 23 mei 2011 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

In conventie en in reconventie:

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 18 mei 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. [P.] heeft zeggenschap in [XXX] Holding en [XXX] Horeca (gedrieën zullen zijn worden aangeduid als "[XXX] cs"). [M.] is eigenaar van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie]. Goalcrest is beherend vennoot van [XXX] Horeca.

2.2. Op 8 oktober 2007 is een overeenkomst tussen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] en de heer [A.] (hierna: "[A.]") gesloten ter zake van de verhuur aan [A.] van de bedrijfsruimte, staande en gelegen aan de [adres] te Zoetermeer (hierna: "de bedrijfsruimte"). Van de huurovereenkomst maken de "Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte" deel uit. Daarin staat onder meer vermeld:

"Behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder is het huurder niet toegestaan het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan derden in huur, onderhuur of gebruik af te staan, dan wel de huurrechten geheel of gedeeltelijk aan derden over te dragen of in te brengen in een personenvennootschap of rechtspersoon."

2.3. Eveneens op 8 oktober 2007 heeft [M.] als directeur van de uiteindelijke moedervennootschap van de [L.] v/h in de [Z.] B.V. (hierna: "de onderneming") een overeenkomst gesloten met [A.], waarmee de activiteiten, handelsnaam en inventaris van de onderneming zijn overgedragen aan [A.]. In deze overeenkomst staat onder meer vermeld:

"Indien de koper besluit het in deze overeenkomst gekochte te verkopen dan heeft de heer [M.] het 1e kooprecht. Van dit besluit stelt de koper de heer [M.] schriftelijk in kennis. De heer [M.] heeft vervolgens twee weken de tijd om koper schriftelijk mee te delen in hoeverre hij of een nader te noemen meester op dit aanbod wenst in te gaan."

2.4. Op 27 augustus 2009 is een akte van levering opgesteld tussen [A.], voor zich in privé en als bestuurder van [A.] en Zonen B.V. (de verkoper) en [P.], als gevolmachtigde van [XXX] Horeca (de koper). In de akte staat onder meer vermeld:

"Verkoper heeft blijkens een schriftelijke koopovereenkomst gedateerd vijftien juli tweeduizend negen verkocht aan koper, die blijkens die koopovereenkomst heeft gekocht van verkoper:

- de goodwill, de inventaris, de voorraden, de handelsnaam en vergunningen welke tot vandaag behoorden tot het door verkoper geëxploiteerde restaurant "[Z.]", gevestigd te Zoetermeer op het adres [adres], [postcode], alsmede de huurrechten betreffende het restaurant het reserveringenboek en inzage in de (financiële) administratie."

2.5. Op 3 februari 2010 is door [A.] en [A.] en Zonen B.V. een indeplaatsstellingsprocedure ten gunste van [XXX] Horeca jegens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] aanhangig gemaakt bij de kantonrechter van deze rechtbank ten aanzien van de huur van de bedrijfsruimte.

2.6. In een op 23 april 2010 tussen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] en [P.] opgestelde overeenkomst staat onder meer vermeld:

"IN AANMERKING NEMENDE:

- dat [P.], [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft benaderd met de vraag of zij met hem in overleg wil treden omtrent het door [P.] in huur nemen van het partijen genoegzaam bekende object "[Z.]" te Zoetermeer;

- dat, daarmee samenhangende, [P.] heeft aangegeven de thans bij de Rechtbank

's-Gravenhage, sector Kanton, locatie Delft lopende procedure tot indeplaatsstelling (ingesteld door [A.] en [A.] & Zonen B.V. ten behoeve van de feitelijk door [P.] gedreven vennootschap [Z. ] C.V.) niet te willen vervolgen, ook samenhangende met diens inschatting van zijn positie daarin;

(...)

- dat [P.], daarmee samenhangende, uitdrukkelijk jegens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft erkend dat als rechthebbende van de zich in het gehuurde bevindende inventaris heeft te gelden de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid], voorheen "[L.]' ; (voorzieningenrechter: achter deze bepaling staat met pen geschreven: "niet van toepassing" met de parafen van partijen erbij)

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

1. [P.] zal per vroegst mogelijke datum - een en ander ook samenhangend met hetgeen in artikel 6 van deze overeenkomst is bepaald - genoemd object van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] huren, zulks voor een huurprijs ad € 10.500,00 per week, te vermeerderen met omzetbelasting en door [P.] bij vooruitbetaling aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] te voldoen op een door haar daartoe aan te wijzen bankrekening.

(...)

Tot zekerheid van de deugdelijke nakoming van de dienaangaande op [P.] rustende betalingsverplichtingen verpandt hij danwel [XXX] Holding de volledige bedrijfsinventaris, zich bevindende aan de [adres] te Zoetermeer, aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] danwel een aan haar gelieerde vennootschap. Partijen zullen daartoe doen danwel nalaten wat daarvoor nodig danwel daaraan bevorderlijk is."

2.7. Op 15 december 2010 is [M.] de bedrijfsruimte binnengetreden en heeft hij alle sloten laten vervangen. [P.] heeft op dezelfde datum aangifte gedaan van chantage/afpersing. R. van Biezen, de raadsman van [P.], heeft op 15 december 2010 aan de advocaat van [M.] geschreven:

"Van [P.] heb ik begrepen dat uw cliënt - de heer [M.] - de sloten van het restaurant heeft vervangen en al het personeel naar huis heeft gestuurd. De heer [P.] heeft contact opgenomen met de heer [M.] en kreeg ene "[Y.]" aan de lijn. Aan [P.] werd verteld dat hij de vorderingen van de leverancier Greko (of een soortgelijk klinkende naam) moest betalen plus de huurachterstand en dat dan de onderneming weer ter beschikking zou worden gesteld.

Dit is afpersing cq chantage en is een misdrijf. (...)

Ik verzoek u het ertoe te leiden dat cliënt weer toegang krijgt tot de onderneming. Uw cliënt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] B.V. alsmede de heer [M.] in privé, worden hierbij aansprakelijk gesteld voor alle schade die reeds is ontstaan en nog zal ontstaan tengevolge van voornoemd handelen. (...)".

2.8. Op 4 januari 2011 heeft [P.] schriftelijk aan [M.] bericht:

"De gebeurtenissen op 15 december 2010, waarbij de heer [M.] mijn onderneming "[Z.] b.v. h/o" In de [Z.]" te Zoetermeer onder zijn macht en beheer heeft gebracht, acht ik ten aanzien van de overeenkomst d.d. 23 april 2010 volstrekt onrechtmatig.

Om die reden ontbind ik bij deze de genoemde overeenkomst op grond van wanprestatie en onrechtmatige daad. Tot nakoming van verplichtingen die uit deze overeenkomst voortvloeien, en betrekking hebben op de periode na 15 december 2010, acht ik mij dan ook niet meer verplicht. (...)".

2.9. Op 13 januari 2011 heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] om voortzetting van de indeplaatsstellingsprocedure verzocht.

2.10. Gedurende de periode van 24 december 2010 tot en met 17 januari 2011 hebben [XXX] cs - na verkregen toestemming van de voorzieningenrechter - een negental conservatoire beslagen gelegd ten laste van [M.], onder meer op de bedrijfsruimte en het registergoed aan de [adres 2] te Delft (bekend als [K.]). Voor wat betreft een overzicht van alle beslagen wordt hier - kortheidshalve - verwezen naar de eerste pagina van productie 6 van [M.].

2.11. [XXX] cs hebben bij dagvaarding van 14 januari 2001 een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank (bekend onder rolnummer 11-397). Daarin vorderen zij te verklaren voor recht dat de overeenkomst van 23 april 2010 (zie hiervoor r.o. 2.6) is ontbonden, dan wel die overeenkomst alsnog te ontbinden, alsmede [M.] te veroordelen tot betaling van een geldsom van ruim € 2.748.000,--, te vermeerderen met rente en proceskosten. In die procedure hebben [M.] op 23 maart 2011 een conclusie van antwoord, tevens van eis in reconventie genomen. Deze eis strekt tot (i) ontbinding van de overeenkomst van 23 april 2010, (ii) betaling van achterstallige huurpenningen, tot 15 december 2010 begroot op € 121.308,--, (iii) opheffing van de gelegde beslagen en betaling van de door de beslagen geleden en te lijden schade en (iv) deugdelijke nakoming van alle uit welke overeenkomst dan ook voortvloeiende verplichtingen. Vervolgens is in die zaak een comparitie van partijen gelast, waarvan de (definitieve) datum nog moet worden bepaald.

2.12. Op 21 februari 2011 hebben [XXX] cs een kort gedingprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaak- / rolnummer 387052 / KG ZA 11-155) waarin zij vorderden [M.] te veroordelen tot betaling van (i) een bedrag van € 394.707,48, wegens schadevergoeding als gevolg van de onrechtmatige overname door [M.] van de onderneming, alsmede (ii) een vergoeding van € 34.243,19 per maand vanaf 15 december 2010 voor het gebruik door [M.] van de inventaris die zich in de bedrijfsruimte bevindt. Na een mondelinge behandeling op 9 maart 2011, heeft de voorzieningenrechter, bij vonnis van 16 maart 2011, die vorderingen afgewezen. Tegen dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

2.13. Per 1 april 2011 (zie de onweersproken stelling van [P.] in hun conclusie van antwoord onder 54) exploiteren [M.] - via de aan hen gelieerde vennootschap A.J. Concepts Beheer B.V. - een restaurant annex partycentrum in de bedrijfsruimte, onder de naam "[O.]", met gebruikmaking van de in de bedrijfsruimte aanwezige inboedel en inventaris.

3. Het geschil

In conventie:

3.1. Zakelijk weergegeven vorderen [M. c.s.] - na vermeerdering van eis - [P. c.s.], onder verbeurte van een dwangsom, te veroordelen tot:

primair:

- ogenblikkelijke opheffing (uiterlijk binnen 24 uur na de betekening van het vonnis) van alle beslagen;

subsidiair:

- ogenblikkelijke opheffing (uiterlijk binnen 24 uur na de betekening van het vonnis) van alle beslagen, met uitzondering van het beslag op de bedrijfsruimte;

meer subsidiair:

- ogenblikkelijke opheffing (uiterlijk binnen 24 uur na de betekening van het vonnis) van het beslag op het registergoed aan de [adres 2] te Delft;

een en ander met hoofdelijke veroordeling van [P.] in de proceskosten, waarbij de advocaatkosten dienen te worden begroot op € 10.000,--, exclusief BTW.

3.2. Daartoe voeren [M. c.s.] - samengevat - het volgende aan.

[XXX] cs stellen zich ten onrechte op het standpunt dat zij een vordering hebben op [M. c.s.]. Daar komt bij dat de voorzieningenrechter in zijn vonnis van 16 maart 2011 heeft overwogen dat [XXX] cs die gepretendeerde vordering - waarop de beslagen zijn gebaseerd - niet hebben onderbouwd en inzichtelijk hebben gemaakt, hetgeen er (mede) toe heeft geleid dat de door hen gevorderde voorzieningen zijn afgewezen. Aangenomen moet worden dat de door [XXX] cs in de bodemzaak ingestelde vorderingen zullen worden afgewezen. Op grond daarvan moeten de door [XXX] cs gelegde beslagen als onrechtmatig worden aangemerkt en worden opgeheven. Daarvoor is reden temeer omdat [M.] liquide middelen nodig hebben om aan haar betalingsverplichtingen te kunnen voldoen. De beslagen staan daaraan in de weg. Indien onvoldoende grond bestaat voor opheffing van alle beslagen dan kan worden volstaan met de enkele handhaving van het beslag op de bedrijfsruimte. Daarop rust namelijk een overwaarde die voldoende zekerheid biedt voor de vordering van [XXX] cs. Voor zover ook daarvoor geen aanleiding bestaat, dient in ieder geval het beslag op [K.] te Delft te worden opgeheven. Het hotel is verkocht en kan niet geleverd worden voordat het beslag er af is.

3.3. [P. c.s.] hebben de vorderingen van [M. c.s.] gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal hun verweer hierna worden besproken.

In reconventie:

3.4. Na vermeerdering en wijziging van eis vorderen [P. c.s.], verkort weergegeven:

I. met betrekking tot de aan [P. c.s.] toebehorende roerende zaken, die zich bevinden in de bedrijfsruimte:

primair: betaling van een bedrag van € 250.000,--, te vermeerderen met rente, als voorschot op de koopsom van de roerende zaken;

subsidiair: een vergoeding voor het gebruik van de roerende zaken van € 10.000,-- per maand vanaf 15 december 2010, dan wel 1 april 2011, tot een maximum van € 250.000,--;

meer subsidiair: een in goede justitie vast te stellen gebruiksvergoeding voor de roerende zaken;

meer meer subsidiair: benoeming van een onafhankelijke taxateur die de waarde van de roerende zaken taxeert en een bindend advies geeft voor een reële gebruiksvergoeding met betrekking tot die zaken;

meer meer meer subsidiair: onder verbeurte van een dwangsom te bepalen dat de [P.] cs gerechtigd zijn de roerende zaken te verwijderen uit de bedrijfsruimte;

II. met betrekking tot de aan [P. c.s.] toebehorende onroerende zaken, die zich bevinden in de bedrijfsruimte:

primair: betaling van een bedrag van € 250.000,--, te vermeerderen met rente, als voorschot op de koopsom van de onroerende zaken;

subsidiair: een vergoeding voor het gebruik van de onroerende zaken van € 7.500,-- per maand tot een maximum van € 250.000,--, dan wel een in goede justitie vast te stellen vergoeding;

meer subsidiair: betaling van een bedrag van € 250.000,--, wegens ongerechtvaardigde verrijking ter zake van de onroerende zaken, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;

meer meer subsidiair: een in goede justitie vast te stellen vergoeding;

meer meer meer subsidiair: benoeming van een onafhankelijke taxateur die de waarde van de onroerende zaken taxeert en een bindend advies geeft voor een reële gebruiksvergoeding met betrekking tot die zaken;

meer meer meer meer subsidiair: onder verbeurte van een dwangsom te bepalen dat de [P.] cs gerechtigd zijn de onroerende zaken te verwijderen uit de bedrijfsruimte;

III. met betrekking tot de overige eigendommen van [P. c.s.]:

[M. c.s.] - onder verbeurte van een dwangsom - te veroordelen om aan [P. c.s.] af te geven:

(i) de volledige boekhouding, inclusief onderliggende stukken, van [Z.] B.V.;

(ii) de privé computer van [P.] en het computernetwerk, zoals dat werd gebruikt door [Z.] B.V., inclusief kabels, printers en netwerkcomponenten, alles werkend en compleet met alle data;

(iii) alle papieren die aan [P.] in privé toebehoren, dan wel aan een aan hem gelieerde onderneming, waaronder begrepen [S.] B.V. te 's-Gravenhage;

IV. [M. c.s.] te veroordelen tot betaling van de energienota's van Nuon over de periode van 15 december 2010 tot 2 maart 2011, neerkomend op een totaalbedrag van (lees:) € 13.852,85, te vermeerderen met rente;

V. [M. c.s.] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 50.000,--, als voorschot op de door hen verschuldigde schadevergoeding;

VI. [M. c.s.] te veroordelen in de proceskosten.

3.5. Samengevat voeren [P. c.s.] daartoe het volgende aan.

In het kort gedingvonnis van 16 maart 2011 is geoordeeld dat [M.] onrechtmatig handelen jegens [XXX] cs doordat zij zich - zonder toestemming - de toegang tot de onderneming hebben verschaft en [XXX] cs de toegang daartoe hebben ontzegd. De in verband daarmee door [XXX] cs gevorderde schade is bij dat vonnis afgewezen omdat deze onvoldoende was onderbouwd. De mede gevorderde gebruiksvergoeding ter zake van de tot de onderneming behorende inventaris is afgewezen omdat niet was gebleken dat de onderneming actief was en dus geen sprake kon zijn van gebruik van de inventaris door [M.]. Dit is echter onjuist. Sedert de occupatie op 15 december 2010 hebben [M. c.s.] de onderneming tot 17 februari 2011 draaiend gehouden. Vervolgens hebben zij - althans de aan hen gelieerde onderneming A.J. Concepts Beheer B.V. - de zaak weer geopend onder de naam "[O.]". [M. c.s.] hebben daarbij steeds gebruik gemaakt van de in de bedrijfsruimte aanwezige inventaris, die in eigendom toebehoort aan [P. c.s.], en maken daarvan nog steeds gebruik. In verband daarmee hebben de [P. cs] recht op een gebruiksvergoeding voor de roerende zaken van € 250.000,-- ineens, dan wel € 10.000,-- per maand vanaf 15 december 2010, althans 1 april 2011, tot een maximum van € 250.000,--. Voor wat betreft de onroerende zaken dient de gebruiksvergoeding te worden gesteld op € 250.000,-- ineens, dan wel € 7.500,-- per maand, tot een maximum van € 250.000,-- Indien de onroerende zaken door natrekking eigendom zijn gebleven of geworden van [M.], zullen zij een bedrag van € 250.000,-- aan [P. c.s.] moeten voldoen wegens ongerechtvaardigde verrijking. Daarnaast hebben [P.] recht op teruggave van (i) de volledige boekhouding van [Z.] B.V., de privé computer van de [P.], met toebehoren en (iii) privé bescheiden van [P.], welke zaken zich nog in de bedrijfsruimte bevinden. Verder zullen [M.] het door Nuon bij [P.] in rekening gebrachte bedrag van € 13.852,85, wegens de levering van energie gedurende de periode van 15 december 2010 tot 2 maart 2001, moeten voldoen. Tot slot lijden [M. c.s.] schade door het onrechtmatig handelen van [M. c.s.], in het bijzonder de schending door hen van het op 23 april 2010 aan [P. c.s.] gegunde exploitatierecht van de onderneming. Bij wijze van voorschot daarop dienen [M.] thans reeds een bedrag van € 50.000,-- te voldoen.

3.6. [M. c.s.] hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen van [P.]. Voor zover nodig zal dat hierna worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

In conventie en in reconventie:

4.1. Alvorens over te gaan tot de (inhoudelijke) beoordeling van de vorderingen over en weer overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.2. Op zichzelf bevat een vonnis in kort geding slechts voorlopige oordelen waaraan partijen en de rechter noch in een bodemprocedure, noch in een later kort geding gebonden zijn. Het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van 16 maart 2011 heeft dan ook geen gezag van gewijsde. Dit neemt echter niet weg dat het opnieuw en op dezelfde gronden instellen van een vordering wel kan leiden tot het oordeel dat sprake is van misbruik van procesrecht (vgl. HR 16 december 1994, NJ 1995, 213).

4.3. Van het vonnis van 16 maart 2011 is niet geappelleerd, zodat het onherroepelijk is. Het Nederlandse rechtssysteem brengt mee dat een nieuw kort geding - in beginsel - niet mag worden gebruikt als een "verkapt appel" tegen een eerder kort gedingvonnis. Indien een partij zich daarmee niet kan verenigen, geldt als uitgangspunt dat de wettelijke appelregeling moet worden benut. In de onderhavige procedure zijn bijzondere omstandigheden die er toe hebben geleid dat geen hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van 16 maart 2011 gesteld noch gebleken. Verder is van belang dat het eerste kort geding vonnis vrij recent is gewezen en dat ter zake van de onderliggende kwesties tussen partijen reeds een bodemprocedure aanhangig is die zich in een vergevorderd stadium bevindt. Nadat daarin de (reeds gelaste, maar nog niet geagendeerde) comparitie van partijen heeft plaatsgevonden, zal - in beginsel - op vrij korte termijn een uitspraak volgen. Bovendien beroepen beide partijen zich voor wat betreft hun vorderingen - onder meer - op het vonnis van 16 maart 2011.

4.4. Op grond van het voorgaande zal de voorzieningenrechter bij haar beslissingen het vonnis van 16 maart 2011 als uitgangspunt nemen, behoudens voor zover sprake is van feiten en/of omstandigheden die in de tot dat vonnis leidende procedure niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de behandeling van de zaak in dat kort geding hebben voorgedaan, zogenaamde "nova" (zie ook voormeld arrest van de Hoge Raad). Voor het overige zullen door partijen geponeerde stellingen - wegens misbruik van procesrecht - niet kunnen leiden tot toewijzing van één of meer van hun vorderingen.

In conventie:

4.5. Ingevolge artikel 705 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ("Rv") wordt een gelegd beslag opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert (in dit geval [M.]) om, met inachtneming van de beperkingen van de kort gedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger (in dit geval [XXX] cs) gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.

4.6. Ter ondersteuning van zijn primaire vordering tot opheffing van alle beslagen hebben [M. c.s.] zich in feite enkel beroepen op het vonnis van 16 maart 2011. Volgens hen volgt daaruit de ondeugdelijkheid van de door [XXX] cs gestelde vordering op hen, alsmede de afwijzing van die vordering door de bodemrechter.

4.7. De voorzieningenrechter kan [M.] daarin niet volgen. In het vonnis van 16 maart 2011 is overwogen dat (i) als uitgangspunt moet worden genomen dat [XXX] Holding eigenaar is van de onderneming, (ii) voldoende aannemelijk is geworden dat [M.] onrechtmatig jegens [XXX] cs hebben gehandeld door zich zonder toestemming de toegang tot de onderneming te verschaffen en [XXX] cs de toegang daartoe te ontzeggen en (iii) het in zijn algemeenheid voor de hand ligt dat de eigenaar van een onderneming in zo'n situatie schade lijdt. Blijkens het vonnis bemoeilijken de complexe omstandigheden van het geval echter de beantwoording van de vraag of [XXX] cs ook daadwerkelijk schade hebben geleden door het handelen van [M.]. Gelet hierop en nu [XXX] cs de omvang van de door hen geleden schade niet voldoende hadden aangetoond, oordeelde de voorzieningenrechter in zijn vonnis dat niet met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten is dat de bodemrechter de vorderingen van [XXX] cs zal toewijzen. Dat klemde - naar diens (voorlopige) oordeel - te minder, nu reeds een complexe bodemzaak tussen partijen aanhangig is gemaakt, welke een omvangrijk feitencomplex en meerdere geschillen tussen partijen behelst dan in het (eerste) kort geding aan de orde zijn gesteld en waarin over en weer (geld)vorderingen zijn ingesteld.

4.8. Anders dan [M. c.s.] menen volgt daaruit geenszins - zonder meer - dat de vordering, die [XXX] cs ten grondslag hebben gelegd aan de beslagen, ondeugdelijk is en dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter die zal afwijzen. Uit het vonnis volgt veeleer dat de voorzieningenrechter - op basis van hetgeen aan hem was voorgelegd - op voorhand geen voorspelling kon geven over de uitkomst van de bodemzaak. Die zou wat hem betreft zowel in het voordeel van [XXX] cs als van [M. c.s.] kunnen uitvallen. Hiervan uitgaande is niet voldaan aan het onder 4.5. vermelde criterium.

4.9. Ook de subsidiaire vordering van [M.] faalt. Daaraan leggen zij ten grondslag dat de executiewaarde van de bedrijfsruimte € 4 miljoen bedraagt en dat deze slechts hypothecair is belast tot een bedrag van € 3,5 miljoen. De overwaarde daarop van € 500.000,-- biedt volgens hen voldoende zekerheid voor de vordering van [XXX] cs, zodat alleen het op de bedrijfsruimte gelegde beslag behoeft te worden gehandhaafd. In de bodemprocedure vorderen [XXX] cs echter een bedrag van € 2.748.000,-- (te vermeerderen met rente en kosten), hetgeen de gestelde overwaarde ruimschoots overschrijdt. Daar komt - mede bezien de onzekerheid van de uitkomst van de bodemprocedure - bij dat niet kan worden aangenomen dat een eventueel toewijzend vonnis ten gunste van [XXX] cs in de bodemzaak zich hooguit zal uitstrekken tot een bedrag van € 500.000,--.

4.10. Voor wat betreft de meer subsidiaire vordering moet worden geoordeeld dat [M. c.s.] daarbij geen belang hebben. [P. c.s.] hebben uitdrukkelijk aangegeven te zullen meewerken aan de levering van [K.] aan een derde, mits de (eventuele) overwaarde onder de notaris blijft bij wijze van zekerheid voor hun vorderingen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan de oprechtheid van die toezegging te twijfelen; [M.] kan hen daaraan ook houden. De door [P.] aan die toezegging verbonden voorwaarde acht de voorzieningenrechter alleszins redelijk en behoeft niet in de weg te staan aan de verkoop van het hotel.

4.11. De slotsom is dat de vorderingen van [M. c.s.] zullen worden afgewezen, met veroordeling van hen - als de in het ongelijk gestelde partij - in de proceskosten in conventie.

In reconventie:

4.12. [M. c.s.] hebben aangevoerd dat [P. c.s.] de beginselen van een goede procesorde hebben geschonden door hun eis in reconventie pas op 16 mei 2011 (laat) elektronisch bij hun advocaat te bezorgen. In verband daarmee moeten - volgens hen - de reconventionele vorderingen worden afgewezen, dan wel [P. c.s.] daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat verweer wordt verworpen. Ingevolge artikel 7.2 van het "Procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie" dient een eis in reconventie uiterlijk 24 uur vóór de terechtzitting schriftelijk te worden medegedeeld aan de wederpartij en aan de voorzieningenrechter. Daaraan is hier voldaan. Niet valt in te zien waarom voor [P. c.s.] een langere termijn zou moeten gelden.

4.13. Met betrekking tot de door [P. c.s.] ingestelde geldvorderingen wordt het volgende vooropgesteld.

Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Zo zal niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering in kwestie voldoende aannemelijk is - hetgeen betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen - maar ook of daarnaast sprake is van feiten en/of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken dient te worden.

4.14. Reeds op grond van voormeld criterium stranden de hiervoor onder 3.4. sub I. primair, sub II. primair en sub V. vermelde vorderingen van de [P. cs]. Dienaangaande moet namelijk voorshands worden geoordeeld dat [P. c.s.] hun stellingen onvoldoende hebben onderbouwd. Voor wat betreft de gevorderde gebruiksvergoedingen ter zake van zowel de roerende als de onroerende zaken klemt dat temeer nu - bij gebreke van nadere informatie - niet valt in te zien dat daarvoor een bedrag van € 250.000,-- "ineens" zou moeten worden betaald. Gelet op de aard van zo'n vergoeding ligt het immers voor de hand de verschuldigdheid ervan te laten afhangen van de duur van de periode waarin de zaken worden gebruikt. Een periodiek verschuldigde vergoeding ligt dan ook (veel) meer in de rede. Met betrekking tot het gevorderde voorschot op de schadevergoeding ad € 50.000,-- wordt bovendien verwezen naar hetgeen onder 4.4 is overwogen. Aangenomen moet worden dat de aan die vordering door de [P. cs] ten grondslag gelegde feiten en/of omstandigheden reeds in aanmerking zijn genomen, dan wel hadden kunnen worden genomen in de kort gedingprocedure die heeft geleid tot het vonnis van 16 maart 2011. Een "novum" dienaangaande is in ieder geval gesteld noch gebleken.

4.15. De onder 3.4. sub I. subsidiair en sub II. subsidiair gevorderde periodieke vergoedingen voor het gebruik van de roerende en onroerende zaken door [M. c.s.] zijn toewijsbaar vanaf 1 april 2011. Daarvoor is het volgende van belang.

4.16. Uit het vonnis van 16 maart 2011 volgt dat de voorzieningenrechter (voorshands) van oordeel was dat [XXX] cs aanspraak konden maken op een gebruiksvergoeding in geval van gebruik van de inventaris door [M. c.s.]. Omdat van dit laatste destijds geen sprake kon zijn, omdat toentertijd niet was gebleken dat de onderneming actief was, is de in het eerste kort geding gevorderde (periodieke) gebruiksvergoeding afgewezen. Uit hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen volgt dat de in de onderhavige procedure gevorderde (periodieke) gebruiksvergoeding tot 9 maart 2011 - zijnde de zittingsdatum van het eerste kort geding - nog steeds niet voor toewijzing in aanmerking komt. Ook ten aanzien daarvan is geen sprake van een "novum". Voor wat betreft de periode vanaf 1 april 2011 ligt dat anders. Vast staat dat [M.], althans een aan hen gelieerde onderneming, vanaf die datum de horecagelegenheid "[O.]' exploiteert in de bedrijfsruimte met gebruikmaking van de inventaris, waarvan in het vonnis van 16 maart 2011 is aangenomen dat [XXX] Holding de eigenaar is.

4.17. Het voorgaande brengt mee dat [M.] vanaf 1 april 2011 een periodieke vergoeding verschuldigd is aan [P. c.s.] voor het gebruik van de roerende en onroerende zaken. Nu de juistheid en de omvang van de in dat verband door [P. c.s.] gevorderde maandelijkse bedragen en het daaraan verbonden maximum niet zijn betwist, zal dienovereenkomstig worden beslist. Niet valt in te zien dat - zoals [M. c.s.] stellen - een (eventuele) verpanding van de zaken daaraan in de weg zou kunnen staan. Te minder nu gesteld noch gebleken is dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie], als pandhouder, is overgegaan tot executie en beide partijen in de bodemprocedure ontbinding wensen van de overeenkomst van 23 april 2010, waarin het pandrecht is neergelegd.

4.18. Tegen de vordering van [P. c.s. ] tot afgifte van de boekhouding van [Z.] B.V. en de privé computer en papieren van [P.] hebben [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in feite geen verweer gevoerd. Zij hebben immers niet (voldoende gemotiveerd) weersproken dat de betreffende zaken zich nog in de bedrijfsruimte bevinden en hebben zich bovendien bereid verklaard tot afgifte van de zaken aan [P. c.s.]. Die vordering zal dan ook worden toegewezen.

4.19. Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de verplichting tot afgifte van bedoelde zaken, acht de voorzieningenrechter aangewezen. Daarbij zij opgemerkt dat [M. c.s.] daarvan geen nadeel zullen ondervinden indien zij hun toezegging tot afgifte gestand doen. De door [P. c.s.] gevorderde dwangsom zal dan ook worden toegewezen, zij het gematigd en gemaximeerd zoals in het dictum vermeld. Wel zal worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor verdere matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

4.20. De vordering van [P. c.s.] tot betaling van de energienota's van Nuon tot een bedrag van € 13.852,85 zal worden afgewezen in verband met hetgeen onder 4.4 is overwogen. De betreffende nota's hebben immers betrekking op de periode voorafgaand aan de behandeling van het eerste kort geding. Bovendien moet op grond van het vonnis van 16 maart 2011 ervan worden uitgegaan dat de bedrijfsruimte toen (nog) niet gebruikt werd door [M. c.s.]. In ieder geval kan in dit verband evenmin worden gesproken van een "novum".

4.21. Alles bijeengenomen zal in reconventie worden beslist zoals hieronder in het dictum vermeld.

4.22. [M. c.s.] zullen - als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij - worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [M. c.s.] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van [P. c.s.] begroot op € 1.384,--, waarvan

€ 568,-- aan griffierecht en € 816,-- aan salaris advocaat;

In reconventie:

- veroordeelt [M. c.s.] om met ingang van 1 april 2011 aan [P. c.s.] te voldoen termijnen van € 10.000,-- per maand tot een maximum van € 250.000,--, ter zake van het gebruik van de aan [P. c.s.] toebehorende roerende zaken, die zich bevinden in de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te Zoetermeer, thans bekend als restaurant "[O.]";

- veroordeelt [M. c.s.] om met ingang van 1 april 2011 aan [P.] te voldoen termijnen van € 7.500,-- per maand tot een maximum van € 250.000,--, ter zake van het gebruik van de aan de [P. cs] toebehorende onroerende zaken, die zich bevinden in de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te Zoetermeer, thans bekend als restaurant "[O.]";

- veroordeelt [M. c.s.] om binnen zeven werkdagen na de betekening van dit vonnis aan de [P. cs] - onbeschadigd en compleet - af te geven de navolgende zaken:

(i) de volledige boekhouding, inclusief onderliggende zaken van [Z.] B.V.;

(ii) de privé computer van [P.], alsmede van het computernetwerk zoals dat werd gebruikt door [Z.] B.V., inclusief kabels, printers en netwerkcomponenten, alles werkend en compleet met alle data;

(iii) alle aan [P. c.s.] toebehorende papieren die aan hem in privé toebehoren, dan wel aan een aan hem gelieerde onderneming, waaronder begrepen [S.] B.V. te 's-Gravenhage;

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag dat [M. cs] in gebreke blijven om aan die veroordeling tot afgifte te voldoen, met een maximum van € 25.000,--;

- bepaalt dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan;

- veroordeelt [M. c.s.] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van [P. c.s.] begroot op € 408,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.M. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2011.

jvl