Belastingrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Eerste aanleg - enkelvoudig · Belastingrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 maart 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:1574 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 13 maart 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbzwb-2023-1574
Zaakgegevens
Op 13 maart 2023 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 13 maart 2023
- Datum publicatie
- 13 maart 2023
- Zaaknummer
- 22/581
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1574
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Parkeerbelasting
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/581
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 16 december 2021.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummer [aanslagnummer].
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Feiten
2. Op 15 september 2021 om 14:23 uur stond belanghebbendes auto, een [automerk] met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de [locatie] in [plaats 2]. Tijdens een controle op deze datum is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
Naar aanleiding van de in 2 bedoelde constatering is aan belanghebbende de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 45, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1 en kosten naheffing van € 44.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
De [locatie] is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
Belanghebbende bestrijdt niet dat sprake is geweest van het in 2 bedoelde parkeren en evenmin dat hij niet heeft betaald.
Belanghebbende stelt dat het voor hem onduidelijk was dat ter plaatse parkeerbelasting moest worden voldaan. Hij heeft het nog gevraagd aan de parkeercontroleur die hem heeft geadviseerd zijn auto tien meter verderop te parkeren. Belanghebbende stelt daarmee de betaald parkeren zone te hebben verlaten. De bebording was niet duidelijk en hij heeft verder ook geen borden gezien waaruit hij had kunnen afleiden dat parkeerbelasting moest worden voldaan.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak kan het bestaan van de verplichting om parkeerbelasting te voldoen blijken uit de aanwezigheid van parkeerapparatuur bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats, of uit borden of andere aanwijzingen bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats, op een zodanige wijze dat er redelijkerwijs geen misverstand over kan bestaan dat parkeerbelasting verschuldigd is voor de parkeerplaats (de kenbaarheid). Verder is het vaste rechtspraak dat van een weggebruiker mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van het al dan niet verschuldigd zijn van parkeerbelasting in het gebied waar hij wenst te parkeren. Op de parkeerder rust dan ook een onderzoeksplicht.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met overlegging van foto’s over de bebording voldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende heeft geparkeerd op een plaats waar voor het parkeren parkeerbelasting verschuldigd is en dat deze verschuldigdheid voldoende kenbaar was. De gronden die belanghebbende hiertegen heeft aangevoerd, leiden niet tot een ander oordeel.
Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende parkeerbelasting verschuldigd was. Nu hij geen parkeerbelasting heeft voldaan, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 13 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.