Belastingrecht
IB/PVV 2020, belastbaarheid Duits ouderdomspensioen in Nederland
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 juli 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:5190 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 25 juli 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbzwb-2023-5190
Zaakgegevens
Op 25 juli 2023 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 25 juli 2023
- Datum publicatie
- 24 juli 2023
- Zaaknummer
- BRE - 21 _ 3611
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5190
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
IB/PVV 2020, belastbaarheid Duits ouderdomspensioen in Nederland
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/3611
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. A.L. Faber),
en
De inspecteur van de belastingdienst.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 14 juli 2021.
Met dagtekening 11 juni 2021 is aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2020 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.755 ( [aanslagnummer] H.06.01).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Met dagtekening 4 april 2023 heeft de gemachtigde van belanghebbende het beroepschrift aangevuld. Bij brief van 17 juni 2023 heeft de gemachtigde de beroepsgronden uitgebreid met een subsidiair standpunt.
De inspecteur heeft op het subsidiaire standpunt bij brief van 20 juni 2023 gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende mr. A.L. Faber, en namens de inspecteur [naam 1] en [naam 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht ongegrond heeft verklaard. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of terecht geen voorkoming van dubbele belasting is verleend voor het Duitse ouderdomspensioen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen recht op voorkoming van dubbele belasting voor het Duitse ouderdomspensioen en is het bezwaar terecht ongegrond verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is werkzaam en woonachtig geweest in Duitsland en is later naar Nederland verhuisd. In het onderhavige jaar is belanghebbende woonachtig in Nederland en niet meer werkzaam.
In zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2020 heeft belanghebbende de volgende inkomensbestanddelen opgenomen:
Nederlandse inkomsten uit vroegere dienstbetrekking € 40.193
Buitenlandse inkomsten uit vroegere dienstbetrekking € 13.458
Inkomsten uit eigen woning -/- € 2.839
Persoonsgebonden aftrek wegens giften -/- € 57
Belastbaar inkomen uit werk en woning: € 50.755
De buitenlandse inkomsten uit vroegere dienstbetrekking zien op een Duits ouderdomspensioen dat belanghebbende heeft ontvangen van de Deutsche Renteversicherung.
De definitieve aanslag IB/PVV 2020 is overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld.
In bezwaar heeft belanghebbende de inspecteur verzocht de inkomsten die zien op het Duitse ouderdomspensioen te behandelen als “elders belast”.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend voor het Duitse ouderdomspensioen. Volgens de inspecteur heeft Nederland het exclusieve heffingsrecht over die uitkeringen, omdat het gezamenlijke bedrag van die uitkeringen minder bedraagt dan het in de zogeheten ‘kleinepensioenregeling’ van artikel 17, tweede lid van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland (het Verdrag) genoemde bedrag van € 15.000.
Motivering
4. Belanghebbende heeft in beroep gesteld dat het Duitse ouderdomspensioen niet in Nederland mag worden belast omdat artikel 17, tweede lid van het Verdrag strijdig is met de vrijheid van werknemers van artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (hierna: VWEU). Volgens belanghebbende wordt een persoon met een Duits pensioen die naar Nederland is geëmigreerd gediscrimineerd ten opzichte van een persoon met een Duits pensioen die inwoner is gebleven van Duitsland.
De rechtbank verwerpt het betoog van belanghebbende. Aangezien het tot de bevoegdheid van lidstaten behoort om de verdeling van heffingsbevoegdheden vast te stellen, kunnen de aanknopingspunten die het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland hanteert niet leiden tot een verboden discriminatie.
5. Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat de pensioenuitkering niet geheel in box 1 in aanmerking kan worden genomen, omdat de betreffende Duitse pensioenpremies niet (geheel) in aftrek zijn gebracht. Belanghebbende heeft daarvoor verwezen naar de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2022. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat de pensioenuitkering in beginsel behoort tot het belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1). Belanghebbende heeft echter gesteld dat hij de pensioenpremies niet (geheel) in aftrek heeft gebracht, zodat (een deel van) de uitkering tot het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen moet worden gerekend (box 3). Anders dan belanghebbende meent, is de rechtbank van oordeel dat de bewijslast voor deze stelling bij belanghebbende ligt. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd die de feiten en omstandigheden onderbouwen op basis waarvan kan worden geoordeeld dat zijn stelling juist is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende daarmee geen feiten aannemelijk gemaakt die tot gevolg hebben dat de pensioenuitkering niet geheel in box 1 in aanmerking kan worden genomen. Ook deze stelling faalt derhalve.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. I.E. Rijsdijk-van Eerd, griffier, op 25 juli 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).