Belastingrecht

Overgangsregeling verdrag Nederland-Duitsland.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 januari 2024

Zaakgegevens

Op 22 januari 2024 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
22 januari 2024
Datum publicatie
22 januari 2024
Zaaknummer
BRE 22/4975
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2024:289
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Overgangsregeling verdrag Nederland-Duitsland.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 22/4975


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2024 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende

en

de inspecteur van de belastingdienst.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 oktober 2022.

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.748. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 19 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

1.2.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft bij brief van 30 november 2023 om uitstel van de zitting verzocht. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 20 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur: [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de vermindering op grond van de overgangsregeling in de Goedkeuringswet juist berekend heeft. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de vermindering juist berekend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende woont vanaf 1 juni 2011 in Duitsland.

4.1.

In 2019 heeft belanghebbende de volgende bruto inkomsten genoten:

Pensioen Achmea

€ 40.722

AOW-uitkering

€ 20.026

Totaal

€ 60.748

4.2.

In zijn aangifte IB over het jaar 2019 heeft belanghebbende verzocht om toepassing van de overgangsregeling in de Goedkeuringswet.

4.3.

Bij het opleggen van de aanslag IB 2019 heeft de inspecteur rekening gehouden met een vermindering van € 747 op grond van de overgangsregeling in de Goedkeuringswet.

Motivering

Afwijzing verdagingsverzoek

5. Het door belanghebbende ingediende verdagingsverzoek is als volgt gemotiveerd:

“11-08-23 is het huis dat wij huren, volledig afgebrand en ontoegankelijk en onbewoonbaar

verklaard.

Sinds die tijd zijn wij (3 volwassene en hond) ondergebracht in een stacaravan, wegens gebrek aan noodwoningen.

U begrijpt dat door deze brand ook al onze bezittingen en administratie verloren is gegaan.

Dit tezamen met de darmkanker van [belanghebbende] .

Wij hebben deze tijd tot juni nodig om, relevante informatie weer ter beschikking te krijgen voor deze zitting, en wij met deze informatie een reële kans hebben, om u ervan te overtuigen dat de belastingdienst er naast zit.”

5.1.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank begrijpt dat het afbranden van het huis een tragische gebeurtenis is geweest. De gebeurtenis zorgt er echter niet voor dat het bijwonen van de zitting op 20 december 2023 niet mogelijk was. Daarnaast is het bespreken van de invloed van deze gebeurtenis op de bewijspositie van belanghebbende een onderwerp dat bij uitstek ter zitting besproken kan worden. Daar komt bij dat in het onderhavige geval sprake is van een geschil over de toepassing van de Goedkeuringswet, en niet zozeer sprake is van een feitelijke discussie. Daarom is het verzoek tot uitstel van de zitting afgewezen.

Berekening vermindering op grond van de overgangsregeling Goedkeuringswet

6. Belanghebbende stelt dat de vermindering van de belasting op basis van de overgangsregeling uit de Goedkeuringswet hoger moet zijn. Volgens belanghebbende dient de belastingvermindering € 5.220 te bedragen.

6.1.

De inspecteur betwist het standpunt van belanghebbende en stelt dat hij de verschuldigde inkomstenbelasting juist heeft berekend.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de verschuldigde inkomstenbelasting juist heeft berekend. De berekening is door de inspecteur op de juiste uitgangspunten gebaseerd. De rechtbank gaat hierbij uit van artikel 2 van de Goedkeuringswet en de toelichting uit de Nota van Wijziging.

6.3.

Recapitulerend ziet de berekening er als volgt uit:

AOW-uitkering

€ 20.026

Pensioen Achmea

€ 40.722

Belastbaar inkomen box 1

€ 60.748

Berekende inkomstenbelasting

€ 13.364

Af: heffingskorting

€ 99

Verschuldigde inkomstenbelasting

€ 13.265

Verhouding waarin het pensioen Achmea staat tot het totale inkomen

€ 67,03%

Evenredig deel inkomstenbelasting pensioen Achmea (67,03% x € 13.265)

€ 8.891

Maximaal verschuldigd tarief o.b.v. overgangsregeling

20%

Maximaal belasting op pensioen o.b.v. overgangsregeling (20% x € 40.722)

€ 8.144

Vermindering ten gevolge van overgangsregeling (€ 8.891 -/- € 8.144)

€ 747

Belanghebbende gaat in zijn berekening voor de bepaling van de vermindering ten gevolge van de overgangsregeling ten onrechte uit van het volledige bedrag aan inkomstenbelasting over het ontvangen inkomen in plaats van het evenredige deel van de inkomstenbelasting op het pensioen waarop de overgangsregeling uit de Goedkeuringswet van toepassing is.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 22 januari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Goedkeuringswet Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Staatsblad 2015, 198. Nota van wijziging van 22 november 2013, Kamerstukken 2013-2014, 33 615, nr. 6. Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 september 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2860.