Belastingrecht

tot en met 23/10276. Verzoeken om ambtshalve vermindering zijn terecht niet behandeld vanwege overschrijding…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 januari 2025

Zaakgegevens

Op 27 januari 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
27 januari 2025
Datum publicatie
27 januari 2025
Zaaknummer
23/10273
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2025:401
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

tot en met 23/10276. Verzoeken om ambtshalve vermindering zijn terecht niet behandeld vanwege overschrijding van de termijn. Beroepen ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummers: BRE 23/10273 tot en met 23/10276


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2025 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 14 september 2023.

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdragen voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd (de aanslagen). Gelijktijdig heeft de inspecteur de volgende bedragen belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen) en de volgende verzuimboetes opgelegd (de boetebeschikkingen).

Jaar

Soort

Belastbaar inkomen uit werk en woning

Voordeel uit sparen en beleggen

Verzuimboete

Belastingrente

2014

IB/PVV

€ 15.000

€ 111

€ 344

€ 90

2015

IB/PVV

€ 25.907

€ 56

€ 369

€ 77

Jaar

Soort

Bijdrage-inkomen Zvw

Bijdrage Zvw

Belastingrente

2014

Zvw

€ 15.000

€ 810

€ 35

2015

Zvw

€ 15.000

€ 727

€ 23

1.2.

De inspecteur heeft de bezwaren tegen de afwijzingen van de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen. Hiertegen heeft belanghebbende beroepen ingediend.

1.3.

De rechtbank heeft de beroepen op 16 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door [naam] en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur belanghebbendes verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.

2.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende is voor de jaren 2014 en 2015 uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV. Belanghebbende heeft geen aangifte gedaan voor beide jaren.

3.1.

De inspecteur heeft de aanslagen en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen met dagtekening 24 juni 2016 (belastingjaar 2014) en 8 maart 2017 (belastingjaar 2015) vastgesteld (zie 1.1).

3.2.

Op 23 september 2016 (belastingjaar 2014) en op 8 oktober 2017 (belastingjaar 2015) heeft belanghebbende aangiften IB/PVV gedaan. Op diezelfde data heeft hij (digitaal) bezwaren ingediend tegen de aanslagen.

3.3.

De inspecteur heeft de aangiften voor de onderhavige jaren aangemerkt als bezwaren tegen de (ambtshalve) aanslagen en heeft deze bij uitspraken op bezwaar van

18 augustus 2017 (belastingjaar 2014) en 6 april 2018 (belastingjaar 2015) niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Daarbij heeft de inspecteur de bezwaren in behandeling genomen als verzoeken om ambtshalve vermindering en heeft deze afgewezen.

3.4.

Op 27 juni 2023 heeft belanghebbende verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslagen. De inspecteur heeft de verzoeken afgewezen bij beslissing van 18 juli 2023.

3.5.

Vervolgens heeft belanghebbende hiertegen bezwaren ingediend op

1 augustus 2023.

3.6.

Met dagtekening 6 september 2023 heeft de inspecteur aangekondigd dat hij voornemens is om de bezwaren af te wijzen.

3.7.

Op 12 september 2023 heeft belanghebbende een brief gestuurd aan de inspecteur, waarin hij aangeeft dat de aangifte IB/PVV 2014 tijdig is ingediend en hij gedurende die periode met veel financiële problemen te maken had. Ter onderbouwing heeft hij (onder meer) brieven van ‘BLG Wonen’, een leningsovereenkomst, financieel jaaroverzichten alsmede diverse bankafschriften overgelegd.

3.8.

De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende van 1 augustus 2023 tegen de afgewezen verzoeken om ambtshalve vermindering met dagtekening 14 september 2023 ongegrond verklaard.

Overwegingen

Verzoeken om ambtshalve vermindering

3.9.

De inspecteur kan een te hoog vastgestelde belastingaanslag ambtshalve verminderen, tenzij vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.

3.10.

De vijfjaarstermijn eindigde op 31 december 2019 (voor het jaar 2014) en op

31 december 2020 (voor het jaar 2015). De verzoeken bij brief van 27 juni 2023 zijn dus te laat ingediend. Als uitgangspunt heeft dan te gelden dat de inspecteur de verzoeken terecht heeft afgewezen. Dat is slechts anders indien de overschrijding van de vijfjaarstermijn ‘verschoonbaar’ is.

3.11.

Een termijnoverschrijding is verschoonbaar indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het verzoek om ambtshalve vermindering in verzuim is geweest.

3.12.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd niet dat hij de verzoeken niet redelijkerwijs eerder had kunnen indienen. Ter zitting heeft belanghebbende aangevoerd dat zijn accountant niet (tijdig) heeft gereageerd op de brieven van de inspecteur. De rechtbank constateert echter dat uit de stukken niet volgt dat belanghebbende contact heeft gehad met zijn accountant over het sturen van de verzoeken om ambtshalve vermindering. Ook is onduidelijk voor welke periode(n) belanghebbende een accountant had. Belanghebbende heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk was om tijdig verzoeken om ambtshalve vermindering in te dienen.

3.13.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen, de boete- en belastingrentebeschikkingen.

Conclusie en gevolgen

4. De inspecteur heeft de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht afgewezen. Dat betekent dat de beroepen ongegrond zijn.

4.1.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook krijgt belanghebbende het door hem betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van

mr. D. Damen, griffier, op 27 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (UR IB 2001). Artikel 60 van de AWR in samenhang met artikel 6:11 van de Awb.