Belastingrecht

BRE25/4408 en BRE 25/6732; 8:54; beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 maart 2026

Zaakgegevens

Op 27 maart 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
27 maart 2026
Datum publicatie
27 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/4408
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:2270
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

BRE25/4408 en BRE 25/6732; 8:54; beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft geen reden voor de termijnoverschrijding overgelegd. Voor zover het beroep ziet op de uitspraak op het administratief beroep van de directeur van de Belastingdienst, verklaart de rechtbank zich onbevoegd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht

zaaknummers: BRE 25/4408 en BRE 25/6732


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 4 mei 2023. De beroepen zien op de aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet 2019 en 2020 met aanslagnummers [aanslagnummer] W.96.01.4 en [aanslagnummer] W.06.01.4. Daarnaast is het beroep gericht tegen de uitspraak van de directeur van de Belastingdienst van 25 juli 2025 op een administratief beroep van belanghebbende.

1.1.

De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar van 4 mei 2023 zijn kennelijk niet-ontvankelijk en de rechtbank is kennelijk onbevoegd om te oordelen over de uitspraak op het administratief beroep. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen de uitspraken op bezwaar van 4 mei 2023

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn omdat deze te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Toetsingskader

3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.

3.1.

Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.

Is het beroep te laat ingediend?

4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraken op bezwaar 4 mei 2023 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 15 juni 2023. Belanghebbende heeft op 30 augustus 2025 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.

Is het te laat indienen verontschuldigbaar?

5. De griffier heeft belanghebbende bij bericht van 21 november 2025 onder andere verzocht om binnen twee weken een reden voor de termijnoverschrijding te overleggen. Vervolgens is belanghebbende op 8 december 2025 nogmaals in de gelegenheid gesteld om een reden voor de termijnoverschrijding te overleggen. Belanghebbende heeft op het tweede verzoek inzake de termijnoverschrijding van de beroepstermijn eveneens niet gereageerd. Bij bericht van 29 december 2025 is belanghebbende voor de laatste keer in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een reden te geven voor de termijnoverschrijding. Van plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 29 december 2025 om 09:32 uur heeft ontvangen. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor de termijnoverschrijding van de beroepstermijn. Er is geen verontschuldiging van dit verzuim gebleken. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk.

Het beroep tegen de uitspraak op het administratief beroep

6. Belanghebbende heeft een uitspraak van de directeur van de Belastingdienst van 25 juli 2025 op een administratief beroep van belanghebbende overgelegd, in reactie op het verzoek van de rechtbank om de besluiten te overleggen waartegen het beroep is gericht. De uitspraak van de directeur op het administratief beroep vindt zijn grondslag in artikel 25 van de Invorderingswet. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen genomen op grond van de Invorderingswet 1990. Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De beslissing van de directeur op het administratief beroep valt niet onder een van de uitzonderingen. Dit zijn civiele kwesties die aan de civiele rechter moeten worden voorgelegd. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd om over de uitspraak van de directeur te oordelen.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar van 4 mei 2023 zijn daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank is onbevoegd om te oordelen over de uitspraak van de directeur op een administratief beroep van belanghebbende. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar van 4 mei 2023 niet-ontvankelijk;

  • verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de uitspraak van de directeur van de Belastingdienst van 25 juli 2025 op een administratief beroep van belanghebbende.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van

R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 27 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb. Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb. Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb. Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:5 van de Awb en artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt de Invorderingswet 1990 genoemd.