Belastingrecht
8:55 Verzet ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat in de verzet bestreden uitspraak terecht is overwogen…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10 april 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:2926 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 10 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbzwb-2026-2926
Zaakgegevens
Op 10 april 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 10 april 2026
- Datum publicatie
- 13 april 2026
- Zaaknummer
- BRE 25/2068
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2926
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
8:55 Verzet ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat in de verzet bestreden uitspraak terecht is overwogen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Op de uitspraak op bezwaar van 27 september 2023 staat dat het een uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2019/2020 betreft. Ook is een rechtsmiddelverwijzing opgenomen, waarbij erop wordt gewezen dat belanghebbende binnen zes weken na de datum van de uitspraak op bezwaar in beroep kan gaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat redelijkerwijs geen onduidelijkheid kon bestaan waar het besluit op zag en wanneer beroep kon worden ingesteld.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2068
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 op het verzet van
[belanghebbende] BV, uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 oktober 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 29 oktober 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 29 oktober 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
4. Belanghebbende voert aan dat de aanslag is opgelegd onder een zaaknummer dat niet duidelijk onderscheidbaar was van andere lopende zaken. Belanghebbende ging er van uit dat deze aanslag onder dezelfde behandeling viel als reeds lopende dossiers waarover al contact was met de inspecteur. De zaaknummers van de inspecteur lijken qua vorm sterk op elkaar en werden gelijktijdig behandeld, waardoor het voor belanghebbende niet duidelijk was dat dit om een aparte, nieuwe aanslag ging. Belanghebbende heeft om die reden niet eerder gereageerd en verzoekt om inhoudelijke behandeling.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. De rechtbank is van oordeel dat in de verzet bestreden uitspraak terecht is overwogen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Op de uitspraak op bezwaar van 27 september 2023 staat dat het een uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2019/2020 betreft. Ook is een rechtsmiddelverwijzing opgenomen, waarbij erop wordt gewezen dat belanghebbende binnen zes weken na de datum van de uitspraak op bezwaar in beroep kan gaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat redelijkerwijs geen onduidelijkheid kon bestaan waar het besluit op zag en wanneer beroep kon worden ingesteld.
7. Van andere feiten en omstandigheden die de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar maken, is niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
8. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 29 oktober 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier op 10 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.