Belastingrecht

8:55 Verzet ongegrond. De rechtbank overweegt dat degene die zich beroept op betalingsonmacht aannemelijk…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10 april 2026

Zaakgegevens

Op 10 april 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
10 april 2026
Datum publicatie
13 april 2026
Zaaknummer
BRE 24/7077 en 24/7078
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:2928
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

8:55 Verzet ongegrond. De rechtbank overweegt dat degene die zich beroept op betalingsonmacht aannemelijk moet maken dat hiervan sprake is. Belanghebbende heeft onvoldoende stukken overgelegd om te kunnen beoordelen of bij belanghebbende sprake is van betalingsonmacht. Er is geen informatie overgelegd over de inkomsten en het vermogen van belanghebbende. Hieruit volgt dat niet kan worden vastgesteld of belanghebbende voldoende middelen heeft om het griffierecht te voldoen. In de in verzet bestreden uitspraak is op goede gronden geoordeeld dat het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht

zaaknummers: BRE 24/7077 en 24/7078


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 op het verzet van


[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 26 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.

4. Belanghebbende stelt zich in verzet op het standpunt dat zij wel informatie heeft gegeven waarom zij het griffierecht niet kan betalen, maar dat de rechtbank hier niet op heeft gereageerd. Belanghebbende verzoekt om een schadevergoeding.

5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

6. Voor de behandeling van een beroep is griffierecht verschuldigd. Niet in geschil is dat het griffierecht niet is betaald voor het einde van de daartoe gestelde termijn. Een beroep zal in dat geval niet-ontvankelijk worden verklaard, tenzij geoordeeld moet worden dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.

7. Belanghebbende heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht. De griffier heeft belanghebbende op 16 mei 2025 in de gelegenheid gesteld het beroep op betalingsonmacht te onderbouwen. Belanghebbende heeft hier op 29 mei 2025 op gereageerd en geeft aan dat van haar niet verwacht kan worden dat zij moet betalen aangezien sprake is van schade en fraude.

8. De rechtbank heeft het beroep op betalingsonmacht op 16 juni 2025 afgewezen, omdat belanghebbende niet de gevraagde gegevens heeft overgelegd. Vervolgens is belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te voldoen. Belanghebbende heeft op 16 september 2025 nogmaals aangegeven dat zij het griffierecht niet kan betalen. De griffier heeft op 13 oktober 2025 belanghebbende aangegeven dat een tweede beroep op betalingsonmacht niet mogelijk is en dat voor de behandeling van het beroep het griffierecht betaald dient te worden. Belanghebbende heeft niet betaald.

9. De rechtbank overweegt dat degene die zich beroept op betalingsonmacht aannemelijk moet maken dat hiervan sprake is. Belanghebbende heeft onvoldoende stukken overgelegd om te kunnen beoordelen of bij belanghebbende sprake is van betalingsonmacht. Er is geen informatie overgelegd over de inkomsten en het vermogen van belanghebbende. Hieruit volgt dat niet kan worden vastgesteld of belanghebbende voldoende middelen heeft om het griffierecht te voldoen. In de in verzet bestreden uitspraak is op goede gronden geoordeeld dat het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen.

10. Nu het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen en vaststaat dat belanghebbende het griffierecht niet heeft voldaan, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. De rechtbank heeft de beroepen terecht niet-ontvankelijk verklaard.

11. Aangezien de verzetsrechter van oordeel is dat de beroepen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard, komt de rechtbank niet toe een beoordeling van het verzoek om schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

12. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 26 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Verder wijst de rechtbank het verzoek om een schadevergoeding af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het verzet ongegrond;

  • wijst het verzoek om een schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Dekkers, griffier, op 10 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op het bepaalde in artikel 8:41 van de Awb.