Belastingrecht

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Ongegrond.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 juli 2026

Zaakgegevens

Op 13 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
13 juli 2026
Datum publicatie
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 24/6491
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:6367
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 24/6491


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Goes , de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. De heffingsambtenaar heeft aan de belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummer [aanslagnummer] voor de auto met kenteken [kenteken] (de naheffingsaanslag).

1.1.

Belanghebbende heeft op 25 augustus 2024 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft op 30 augustus 2024 het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar [gemachtigde] deelgenomen. Belanghebbende is zonder kennisgeving aan de rechtbank niet verschenen.

1.4.

Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 1 april 2026 aan belanghebbende op het adres [adres 1] te [postcode] [woonplaats] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Deze uitnodiging is ook per reguliere post aan belanghebbende op genoemd adres toegezonden. Op 8 mei 2026 is de envelop met aangetekend verzonden uitnodiging door de rechtbank retour ontvangen. Daarop staat vermeld dat het aangetekend verzonden stuk retour is gezonden omdat het niet is afgehaald. De per reguliere post toegezonden uitnodiging is niet retour ontvangen. Hierop is nogmaals – na een GBA-check – een afschrift van de zittingsuitnodiging gestuurd naar het adres [adres 2] te [postcode] [woonplaats] gestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank is al het nodige gedaan om belanghebbende in kennis te stellen van de mondelinge behandeling ter zitting. De zitting heeft daarom plaatsgevonden zonder aanwezigheid van belanghebbende. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Feiten

2. De auto met kenteken [kenteken] (de auto) stond op 24 augustus 2024 omstreeks 15:45 uur geparkeerd aan de [straat] te [plaats] . Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is (door parkeercontroleurs) geconstateerd dat daarvoor geen parkeerbelasting was voldaan.

2.1.

Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 79,30, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,60 en € 76,70 aan kosten van de naheffing.

2.2.

Belanghebbende heeft de parkeerbelasting vanaf 15:49 uur betaald.

Beoordeling door de rechtbank

3. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd.

3.1.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Toetsingskader van de rechtbank

4. Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder e, van de Verordening parkeerbelastingen [plaats] 2024 (hierna: de Verordening) wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

4.1.

Volgens artikel 8 van de Verordening en artikel 1 van het Aanwijzingsbesluit betaald- en vergunninghoudersparkeren [plaats] 2021 (hierna: Aanwijzingsbesluit) is de locatie [straat] te [plaats] door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.

Gronden belanghebbende

5. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Hiertoe voert belanghebbende aan dat hij voor het parkeren heeft betaald vanaf 15:49, terwijl om 15:45 uur de naheffingsaanslag is opgelegd. Belanghebbende voert aan dat hij niet eerder de parkeerbelasting kon voldoen omdat de parkeerapp een foutmelding gaf en de dichtstbijzijnde parkeerautomaat slecht zichtbaar was doordat deze achter een groot wit bord staat, zodat hij naar een volgende parkeerautomaat moest lopen. Toen de parkeerapp geen storing meer had, heeft belanghebbende alsnog de parkeerbelasting voldaan. Gelet op de omstandigheden, is belanghebbende van mening dat een termijn van 4 minuten om de parkeerbelasting te voldoen onredelijk kort is.

Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?

6. Niet in geschil is dat op de locatie waar de auto geparkeerd stond tegen betaling van parkeerbelasting geparkeerd mag worden en dat er ook feitelijk sprake is geweest van parkeren. De rechtbank overweegt dat de parkeerbelasting bij aanvang van het parkeren moet worden voldaan en dat belanghebbende daar onverwijld de benodigde handelingen voor dient te verrichten. Volgens vaste rechtspraak dient de parkeerder een redelijke termijn te worden gegund die nodig is om de parkeerapparatuur in werking te stellen. De redelijke termijn vangt aan direct nadat de auto wordt geparkeerd. De parkeerder moet onverwijld en ononderbroken handelingen verrichten die zijn gericht op het tijdig betalen van parkeerbelasting. Dat geldt ook als gebruik wordt gemaakt van een parkeerapp.

6.1.

Belanghebbende heeft geen objectief verifieerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt dat sprake was van een (kortstondige) storing bij de parkeerapp en ook bij de heffingsambtenaar was geen storing bekend. De enkele verklaring van belanghebbende is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om een storing in de parkeerapp aan te nemen, met name omdat belanghebbende kort daarna alsnog op die wijze de parkeerbelasting heeft voldaan. Mocht de parkeerapp niet werken, ligt het op de weg van belanghebbende om via de parkeerautomaat de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen.

6.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is verder de verklaring van belanghebbende over de gang van zaken niet geloofwaardig. Op de door belanghebbende overgelegde foto is te zien dat de parkeerautomaat wordt aangeduid met een blauw bord met een pijl naar beneden gericht. Hierdoor is het volgens de rechtbank voldoende kenbaar dat in de buurt van dit blauwe bord een parkeerautomaat stond en is het niet geloofwaardig dat belanghebbende door het witte bord de parkeerautomaat niet heeft gezien. Het bord heeft juist als functie om de zichtbaarheid van de automaat te bevorderen, en doet dat blijkens het overgelegde beeldmateriaal ook. Bovendien heeft de heffingsambtenaar verklaard dat de naheffingsaanslag is opgelegd door parkeercontroleurs te voet, zodat aannemelijk is dat de auto al enige tijd geparkeerd stond voordat de naheffingsaanslag is opgelegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat aannemelijk is dat belanghebbende niet onverwijld en ononderbroken handelingen heeft verricht die zijn gericht op het tijdig betalen van de parkeerbelasting en heeft hij de redelijke termijn om de parkeerbelasting te voldoen, overschreden.

6.3.

Het voorgaande betekent dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag gehandhaafd blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierrecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J.C.J. van Wesel - de Jongh, griffier, op 13 juli 2026.

griffier

rechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.