Belastingrecht
Beroep tegen naheffingsaanslag gegrond, intikfout aannemelijk gemaakt. Samenhang voor proceskostenvergoeding.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6409 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 13 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbzwb-2026-6409
Zaakgegevens
Op 13 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 13 juli 2026
- Datum publicatie
- 14 juli 2026
- Zaaknummer
- BRE 23/10913
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6409
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep tegen naheffingsaanslag gegrond, intikfout aannemelijk gemaakt. Samenhang voor proceskostenvergoeding.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10913
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema verbonden aan Bezwaartegenverkeersboetes.nl),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (P1), de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 8 november 2023.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 13 februari 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd.
Feiten
2. De auto met kenteken [kenteken 1] stond op 1 april 2023 omstreeks 14:28 uur geparkeerd aan de [straat] te [plaats] . Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Belanghebbende heeft een bewijs van betaling van parkeerbelasting gedaan via een online betaalapplicatie voor de periode van 1 april (jaar onbekend) 07:48 uur tot 1 april 23:59 uur voor “ [plaats] – [locatie] ” voor kenteken [kenteken 2] .
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 59,25 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,50 en € 57,75 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende en is de aanslag parkeerbelasting naar een te hoog bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader van de rechtbank
4. Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2023 (hierna: de Verordening) wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
Op grond van artikel 234 van de Gemeentewet wordt onderhavige parkeerbelasting geheven bij wege van voldoening op aangifte, dan wel op andere wijze. Dat artikel bepaalt in het tweede lid, onderdeel a, met betrekking tot de parkeerbelasting verder dat als voldoening op aangifte uitsluitend wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften (het zogenoemde mobiel parkeren met gebruik van een online parkeerapplicatie).
Artikel 1, aanhef en onderdeel d en e, van de Verordening luidt:
“Voor toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;
Centrale computer: computer van het bedrijf waarmee de gemeente Breda een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon of aanmelden via een digitaal loket voor de bezoekersregeling.”
Artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Verordening luidt:
“Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen geheven:
a. Een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;”
Artikel 5, eerste lid van de Verordening luidt als volgt:
“De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, voor het parkeren met gebruikmaking van parkeerapparatuur, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften. ”
Volgens artikel 8 van de Verordening en artikel 1 van het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen Breda 2022 (hierna: het Aanwijzingsbesluit) is de locatie [straat] te [plaats] door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
Artikel 10, eerste lid, van de Verordening luidt als volgt:
“De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van deze verordening zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende Tarieven- en kostentabel parkeerbelastingen 2023.”
In Bijlage 1, Tarieven- en kostentabel parkeerbelastingen 2023, behorend bij de Verordening, specifiek onderdeel E Naheffingsaanslag staat:
“De kosten van de naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 10, eerste lid, bedragen
€ 52,75.”
Overwegingen: is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
5. Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 1 april 2023 geparkeerd stond aan de [straat] te [plaats] en dat deze locatie door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
Belanghebbende stelt dat zij aan haar betalingsverplichting heeft voldaan en heeft daarbij – in beroep – een betalingsbewijs overgelegd. De primaire stelling van belanghebbende is dan ook dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.
De heffingsambtenaar weerspreekt dat het betalingsbewijs aannemelijk maakt dat belanghebbende aan zijn aangifte- en betaalverplichting ter zake van het parkeren aan de [straat] heeft voldaan.
De rechtbank volgt de heffingsambtenaar niet in zijn oordeel en overweegt daartoe als volgt. Belanghebbende heeft een betaalbewijs overlegd waaruit blijkt dat zij op de datum en het tijdstip waarop de naheffingsaanslag is opgelegd, parkeerbelasting heeft betaald. Blijkens artikel 5, lid 1, jo artikel 2, aanhef en onder d en e, van de Verordening wordt de parkeerbelasting geheven bij wege van voldoening op aangifte en wel – kort gezegd – door middel van het in werking stellen van parkeerapparatuur op de daartoe bestemde.
Gelet op de voorgaande rechtsoverweging biedt de gemeente parkeerders de mogelijkheid om de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen via een online betaalapplicatie. Daarbij moet de parkeerder bij de aanvang van het parkeren het voertuig aanmelden en aan het einde van het parkeren moet de parkeerder het voertuig ook weer afmelden. Bij het aanmelden moet het kenteken van het te parkeren voertuig worden ingevoerd. Nu belanghebbende bij de aanvang en het einde van het parkeren weliswaar aangifte heeft gedaan voor het onderhavige parkeren dient de rechtbank te beoordelen of belanghebbende ondanks het invoeren van een ander kenteken dan dat van het geparkeerde voertuig toch aangifte voor het onderhavige parkeren heeft gedaan. Een naheffingsaanslag kan slechts worden opgelegd indien de verschuldigde belasting niet (volledig) is betaald. Indien de belasting wel tijdig is voldaan, vormt het enkele feit dat niet op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan geen grond voor naheffing. De rechtbank stelt vast dat het onjuist ingevoerde kenteken in grote mate overeenkomt met het juiste kenteken van het geparkeerde voertuig. Alleen het tweede ‘cijfer 2’ is onjuist ingevoerd. De rechtbank vindt het aannemelijk dat belanghebbende een fout heeft gemaakt bij het invoeren van het kenteken in de online betaalapplicatie. Zij heeft echter wel parkeerbelasting betaald voor haar geparkeerde auto. De rechtbank heeft bij dit oordeel ook acht geslagen op de omstandigheid dat het kenteken hoort bij een Mitsubishi, en dat de naheffing ook een Mitsubishi betreft.
De rechtbank merkt daarbij op dat gesteld noch aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende voor een andere auto zou hebben betaald die op hetzelfde moment op dezelfde parkeerlocatie zou hebben geparkeerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dan ook de verschuldigde parkeerbelasting voldaan.
Nu de rechtbank van oordeel is dat belanghebbende de voor het parkeren van haar auto verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan, is naheffen niet toegestaan, ook al heeft belanghebbende een onjuist kenteken ingevoerd. Aangezien belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting heeft betaald brengt toepassing van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen namelijk mee dat naheffing niet mogelijk is. Daaraan doet niet af dat belanghebbende niet op de juiste wijze aangifte heeft gedaan, doordat zij een ander kenteken heeft vermeld dan het kenteken van het geparkeerde voertuig.
Onjuist kostenbedrag en het herstel daarvan
6. De rechtbank constateert dat de kosten van de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag zijn opgelegd. De vraag welke gevolgen dit heeft, behoeft echter geen bespreking, gelet op het voorgaande oordeel ten aanzien van de naheffingsaanslag zelf.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag moeten worden vernietigd.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
In het voorgaande is reeds geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding voor de proceskosten in de bezwaar- en beroepsfase. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde van € 666 en 1 punt voor het beroepschrift met een waarde van € 934.
De rechtbank ziet aanleiding om te oordelen dat sprake is van samenhang tussen acht zaken waarin de rechtbank heden uitspraak doet. In elk van deze zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde gemachtigde. De rechtbank doet uitspraak in alle acht zaken en in elk van deze zaken konden de werkzaamheden (nagenoeg) identiek zijn en waren dat feitelijk ook. Het overleggen van 1 zaak-specifiek bewijsmiddel maakt dat niet anders. De nadruk van de werkzaamheden heeft gelegen in het stellen dat wel is betaald en dan vervolgens (en voornamelijk) uitwerken van de stellingen omtrent het te hoge bedrag in de naheffingsaanslag. Er is daarom sprake van samenhang in de beroepsfase. Hetzelfde geldt voor de bezwaarfase.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welk gewicht toekomt aan deze (groep van) zaken. Gelet op het voorgaande is factor 1,5 voor samenhangende zaken van toepassing, anderzijds betreffen de acht zaken slechts zes belanghebbenden. Ook weegt mee dat de werkzaamheden per zaak gering waren (en met name administratief van aard worden geacht te zijn geweest) en slechts een zeer beperkt partijdebat heeft plaatsgevonden, zowel in de bezwaar- als in de beroepsfase. De reikwijdte van de vergoeding strekt van € 850 (wegingsfactor 0,25, samenhang-factor 1,5) tot € 1.700 (wegingsfactor 0,5, samenhang-factor 1,5), te verdelen over de samenhangende zaken.
Alles tegen elkaar afwegend, indachtig het feit dat het Besluit bedoelt een tegemoetkoming in de kosten te geven en met gebruik making van artikel 2 tweede lid van het Besluit, stelt de rechtbank de kostenvergoeding voor belanghebbenden met 1 zaaknummer vast op € 200 en voor belanghebbenden met 2 zaaknummers op € 250.
Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
-
vernietigt de naheffingsaanslag
-
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden;
-
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 200 aan proceskosten aan belanghebbende;
-
beslist dat voor zover de vergoeding van het griffierecht en de toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van M.M.I. van Dijk-Saris, griffier.
De griffier is buiten staat deze
uitspraak mede te ondertekenen
|
griffier |
rechter |
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.