Belastingrecht

8:55 Verzet ongegrond. De stelling van belanghebbende dat hij het beroepschrift op 8 november 2024 heeft…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 juli 2026

Zaakgegevens

Op 21 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
21 juli 2026
Datum publicatie
16 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/518
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:6499
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

8:55 Verzet ongegrond. De stelling van belanghebbende dat hij het beroepschrift op 8 november 2024 heeft ingediend via Zivver kan niet worden aangetoond. Om die reden kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/518


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 op het verzet van


[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2026 in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat volgens de rechtbank het beroepschrift zonder verschoonbare reden niet binnen de beroepstermijn is ingediend. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking met aanslagnummer [aanslagnummer] .

1.1.

Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 6 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.

2.1

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.

2.2

Termijnen van bezwaar en beroep volgen rechtstreeks uit de wet, dat wil zeggen dat het fatale termijnen zijn waarvan niet afgeweken kan worden, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is in verband met bijzondere omstandigheden. De omstandigheden die belanghebbende noemt, moeten dusdanig bijzonder zijn dat het niet verweten kan worden dat hij niet binnen de beroepstermijn heeft ingediend.

2.3

Naar het oordeel van de rechtbank is bij de in verzet bestreden uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. De rechtbank heeft daarbij terecht de dagtekening van het beroepschrift als bewijsrechtelijk uitgangspunt genomen voor het bepalen van de dag waarop het beroepschrift is ingediend. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het eerder – voor het einde van de beroepstermijn – op de post is gedaan.

2.4

Belanghebbende heeft in zijn verzetschrift de gang van zaken toegelicht en aangegeven dat hij zijn beroep op 8 november 2024 per e-mail via Zivver heeft ingediend. Zoals in de uitspraak van 6 februari 2026 is opgenomen, heeft de rechtbank het beroepschrift van 8 november 2024 niet ontvangen. De rechtbank heeft belanghebbende gevraagd om bewijsstukken te sturen, zodat daarmee bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding rekening mee kan worden gehouden. Dergelijke stukken zijn niet verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank kan de stelling van belanghebbende dat hij het beroepschrift op 8 november 2024 heeft ingediend via Zivver niet worden aangetoond. Om die reden kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Conclusie en gevolgen

3. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 6 februari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.

griffier

rechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb. Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.