Belastingrecht
8:55 Verzet niet-ontvankelijk. De rechtbank heeft de uitspraak op 27 januari 2026 aangetekend verzonden. De…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6501 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 21 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbzwb-2026-6501
Zaakgegevens
Op 21 juli 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Datum publicatie
- 16 juli 2026
- Zaaknummer
- BRE 25/3558 tot en met 25/3560
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6501
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
8:55 Verzet niet-ontvankelijk. De rechtbank heeft de uitspraak op 27 januari 2026 aangetekend verzonden. De envelop waarin de aangetekende uitspraak is verzonden, is ongeopend terugontvangen. Bij gewone brief van 19 februari 2026 is de uitspraak van 27 januari 2026 nogmaals gestuurd. De termijn voor het indienen van het verzetschrift eindigde op 10 maart 2026. Gelet op het poststempel van het verzetschrift, is het verzet op 13 april 2026 op de post gedaan. Het verzetschrift is niet tijdig ingediend. Belanghebbende heeft niet op de brief gereageerd en geen reden gegeven voor deze termijnoverschrijding. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/3558 tot en met 25/3560
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 op het verzet van
[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat belanghebbende het griffierecht niet heeft betaald.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het verzet ontvankelijk?
3. Voor het indienen van een verzetschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop de uitspraak op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop de uitspraak is toegezonden.
Een verzetschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het verzetschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
De rechtbank heeft de uitspraak op 27 januari 2026 aangetekend aan de gemachtigde van belanghebbende verzonden.
De envelop waarin de aangetekende uitspraak op 27 januari 2026 is verzonden, is ongeopend terugontvangen met de vermelding “niet afgehaald; retour afzender”. Blijkens de na de retourontvangst ingewonnen informatie is het adres zoals vermeld op de brief het adres van gemachtigde. Bij gewone brief van 19 februari 2026 is de uitspraak van 27 januari 2026 nogmaals gestuurd. In de brief is te lezen dat de termijn niet opnieuw aanvangt. De termijn voor het indienen van een verzetschrift eindigde op 10 maart 2026.
Belanghebbende heeft het verzetschrift met PostNL verstuurd. Gelet op het poststempel gaat de rechtbank ervan uit dat het verzet op 13 april 2026 op de post is gedaan. Het verzetschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
4. De rechtbank heeft op 20 april 2026 belanghebbende een brief gestuurd met de vraag waarom het verzetschrift te laat is ingediend. Op 7 mei 2026 heeft de griffie belanghebbende nogmaals per aangetekende brief in de gelegenheid gesteld om te reageren op de termijnoverschrijding. In de brief is belanghebbende gewezen op de mogelijkheid dat het verzet niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Op 4 juni 2026 is de envelop waarin de aangetekende brief van 7 mei 2026 is verzonden, ongeopend terugontvangen met de vermelding “niet afgehaald; retour afzender”. Volgens informatie van de Kamer van Koophandel hanteert belanghebbende het adres zoals vermeld op de brief. Bij gewone brief van 4 juni 2026 is de brief nogmaals gestuurd. In de brief is te lezen dat het termijn over twee weken eindigt.
Belanghebbende heeft niet op de brief gereageerd en geen reden gegeven voor deze termijnoverschrijding. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het verzet niet inhoudelijk beoordeelt en dat de bestreden uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.
|
griffier |
rechter |
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.